De armoede van het poldermodel.

De volgende tekst is in enigzins gewijzigde vorm eerder verschenen in de artkelenbundel: Maarten Baltussen en Johan van Workum, red. De rijke kant van Nederland. Armoede staat zelden op zichzelf. Van Gennep Amsterdam 1998. De bundel verscheen in het kader van de campagne tegen verarming en verrijking, georganiseerd door de werkgroep de Arme Kant van Nederland.

Piet van der Lende

Nederland is booming. Wie over de snelwegen rijdt, die in snel tempo worden uitgebreid ziet overal industrieterreinen als paddestoelen uit de grond rijzen. Deze terreinen worden volgebouwd met nieuwe fabrieken. De ekonomische indikatoren geven mooie cijfers: een hoge ekonomische groei, hoger dan in omringende landen, lage inflatie, een stabiele gulden, een sterk teruglopend overheidstekort en omhoogspuitende winsten van vooral grote bedrijven, op basis van een sterk toenemende export. Nederland haalt de strenge criteria van de Europese Monetaire Unie met gemak, terwijl landen om ons heen zoals Duitsland worstelen om aan de criteria te voldoen en in politieke partijen grote onenigheid heerst over de te volgen koers. Jaloers kijken de regeringsleiders naar Nederland, waar sociaal-demokraten en liberalen in innige harmonie regeren, terwijl er sinds Prinsjesdag 1991, toen de troonrede werd vergezeld van stakingen wegens de WAO-kwestie, nauwelijks sociale onrust is.

Meestal wordt het succes van het poldermodel verklaard uit de loonmatiging, die aan het begin van de jaren tachtig is ingezet. Sommige ekonomen wijzen er echter op, dat de theoretische modellen die de loonmatiging als voornaamste verklaringsfaktor naar voren halen een zwakke empirische basis hebben. Empirische onderzoekingen tonen aan, dat de effecten van loonmatiging of verlaging van loonkosten door lastenverlichting moeilijk vast te stellen zijn. Ekonomen verschillen van mening over de effecten op de werkgelegenheid en de ekonomische groei. Dit kan per bedrijfstak of bedrijf verschillen. Het kan zijn, dat er loonmatigiging in een sector is, zonder dat dit leidt tot veel meer werkgelegenheid en ekonomische activiteiten; en het kan zijn dat de lonen voor de werkgevers in een sector aanzienlijk toenemen, maar ook de productie en de werkgelegenheid. Het zou te ver voeren, alle diskussies onder ekonomen hierover op te sommen. Ik noem een voorbeeld. De ekonoom Alan B. Kreuger deed in de Verenigde Staten onderzoek naar de invloed van de hoogte van het minimumloon op de werkgelegenheid. Zijn conclusie: een verhoging van het minimumloon vernietigd geen werk, maar levert juist banen op. Hij vergeleek een verhoging van het minimumloon in 1992 in de staat New Jersey met het minimumloon in de staat Pennsylvania waar het gelijk bleef. Een jaar later bleeek het aantal banen in de fast food sector in de staat New Jersey sterker toegenomen dan in Pennsylvania. Als verklaring wordt naar voren gebracht, dat de arbeidsmarkt een bijzondere markt is, waar vraag en aanbod geen vrij spel hebben. Institituties zoals vakbonden, overheid en werkgeversorganisaties leggen in sterke mate hun wil op aan de arbeidsmarkt. Werkzoekenden deden in New Jersey beter hun best om daar een baantje te vinden en ze werkten gemotiveerder. Ten onzent heeft de ekonoom Kleinknecht soortgelijke geluiden laten horen. Als de verlaging van de loonkosten door loonmatiging en daling van premies voor de werkgevers hooguit gedeeltelijk en misschien wel helemaal niet een verklaring zijn, moeten er dus nog andere redenen zijn voor het succes van het nederlandse 'poldermodel'. Hoe slaagden de ondernemers erin, de loonkosten te drukken?

Geschiedenis

In de jaren zestig en de eerste helft van de jaren zeventig kende Nederland verschillende min of meer traditionele industriën, die vaak in de wederopbouwperiode na de oorlog waren ontstaan. Voorbeelden zijn de textielindustrie, de scheepsbouw en andere metaalbedrijven, de schoenindustrie en de mijnbouw. Tijdens de ekonomische crisis begin jaren zeventig die werd versterkt door de oliecrisis, konden deze industriën het steeds moeilijker bolwerken.

De jaren zeventig en het begin van de jaren tachtig werden gekenmerkt door de sluiting van bedrijven en duizenden personeelsleden moesten afvloeien. De werkloosheid steeg begin jaren tachtig explosief. In 1981 verdubbelde het aantal geregistreerde werklozen zich in een jaar tot 470.000.

In deze periode begon zich een nieuwe ontwikkeling af te tekenen; de opkomst van wat wel de dienstensector werd genoemd, zoals de horeca, schoonmaakbedrijven, transportbedrijven, boekhoudkantoren en financieringsmaatschappijen. Daarbij werden nieuwe markten aangeboord, maar deze ontwikkelingen waren ook het gevolg van rationalisatie in de industrietakken die al bestonden; daar ging men over tot een uitbesteding van taken, die vervolgens door zelfstandige bedrijven in de nieuwe dienstensector werden overgenomen.

De jaren omstreeks 1980 kunnen daarbij beschouwd worden als een omslagpunt. De afbouw van de oude industrietakken naderde zijn voltooiing, en de uitbouw van de nieuwe sectoren in de dienstensector begon. Parallel daarmee loopt een omslag in het overheidsbeleid. De steunverlening aan ekonomisch zwakkere bedrijven uit de traditionele industriën werd stopgezet. Hoogtepunt van de diskussie daarbij was de parlementaire enquete over het Rijn-Schelde Verolme concern dat failliet ging ondanks het feit, dat de overheid daar decennia lang miljarden ingepompt had. Het verdwijnen van de RSV betekende vrijwel het einde van de grote scheepsbouw in Nederland. Er kwam een nieuw overheidsbeleid, dat zich richtte op generieke lastenverlichting van het bedrijfsleven (in plaats van gerichte steun) en men richtte zich op het bevorderen van flexibilisering en verdere rationalisatie van de dienstensector. Niet de overheid, maar de nieuwe dienstensector moest de kar worden, die de Nederlandse ekonomie trok.

Twee gebeurtenissen zijn belangrijk bij het herformuleren van het overheidsbeleid.

Eind 1980 werd een adviescommissie inzake het industriebeleid geinstalleerd. Zij publiceerde in 1981 een rapport. De commissies werden genoemd naar hun voorzitter, de heer Wagner van de Shell. Deskundigen uit het bedrijfsleven maakten deel uit van de commissie Wagner. Topmanagers van Unilever, DSM, Vroom en Dreesmann, de ABN, Fokker en andere ondernemingen namen deel. Wat waren de conclusies?

De prijscompensatie moet geen automatisme meer zijn, bij het minimumloon dient de regering rekening te houden met de prijsontwikkeling, maar een automatische prijscompensatie is uit den boze. De koppeling tussen minimumloon en minimumuitkering moet eveneens worden losgelaten en vervangen door een "beleidsmatige" koppeling. Er moesten vrije loononderhandelingen komen op decentraal niveau, ambtenaren moesten inleveren, er moesten soepeler ontslagprocedures komen. Het afsluiten van flexibele contracten moest worden bevorderd en het onderwijs moest meer marktgericht gaan werken. Meer markt, minder overheid. In juni 1982 kwam een tussenrapport van de cie Wagner in de publiciteit nadat het kabinet van PvdA, D'66 en CDA was gevallen. Van Agt en Lubbers verklaarden de conclusies van het rapport te onderschrijven. Zij stelden meteen maar, dat de uitgangspunten van de commissie Wagner de basis moesten vormen voor een regeerakkoord na de verkiezingen. De basis voor het overheidsbeleid in de jaren tachtig en negentig was gelegd.

De tweede grondslag voor het ontstaan van het 'poldermodel' is de houding van de vakbeweging. Zij is in de zeventiger jaren niet bereid geweest tot het inleveren van de prijscompensatie. Drie achtereenvolgende loonmaatregelen aan het begin van de jaren tachtig moesten haar op de knieën dwingen. In het centraal akkoord van 1982, dat werd afgesloten door Kok en van Veen, gaf de vakbeweging veel prijs. De automatische prijscompensatie, waarvoor in 1977 nog werd gestaakt, werd met zoveel woorden afgeschaft. Van enige invloed op het werkgelegenheidsbeleid was geen sprake. Als gevolg van dit stichtingsakkoord heeft zich de uitzonderlijke situatie voorgedaan van een algemene reëele loondaling van de werkenden. Zeker in de collectieve sector is de loondaling niet onaanzienlijk geweest. De schattingen lopen uiteen, maar de koopkrachtdaling van mensen met een minimuminkomen is 15 tot 20% geweest.

De grote reorganisatie van de Nederlandse ekonomie en de omschakeling in het overheidsbeleid hebben slechts op beperkte schaal tot sociale protesten geleid. Enerzijds beperkten de vakbonden zich in de loop van de jaren zeventig in de ekonomisch zwakke industrietakken steeds meer tot het afspreken van afvloeiingsmaatregelen. Vele oudere werknemers, die in de traditionele industriën op basis van een sterke vakbondstraditie rechten hadden verworven, vloeiden af via de WAO-regeling en lieten het daarbij.

Anderzijds was in de dienstensector in de jaren tachtig sprake van een groei van het aantal banen, voor een belangrijk deel in het laagbetaalde segment. Deze banen werden ingenomen door nieuwkomers op de arbeidsmarkt: schoolverlaters en herintredende vrouwen. Zo hangt de generatiewisseling op de arbeidsmarkt dus samen met de sectorverschuiving die hiervoor werd genoemd. Enerzijds vond een forse uitstoot plaats van oudere mannen, met name in de industrie. Zij verdwenen uit de actieve beroepsbevolking in de WW, de WAO en de VUT. Anderzijds is er de snelle groei van de dienstensector, waar dus vooral jongeren en herintredende vrouwen van hebben geprofiteerd. Zo kon de sterke rechtspositie van werknemers in de industrie, of in termen van ekonomen de 'loonstarheid' worden omzeild.

De regering Kok.

De opeenvolgende kabinetten na 1983 hebben een beleid gevoerd, dat kan worden omschreven als: sterke bezuinigingen op de overdrachtsuitgaven, lastenverlichting voor het bedrijfsleven en in beperkte mate nieuw beleid in de vorm van grote infra-strukturele projekten. Ook de regering Kok heeft dit beleid voortgezet. Zij had als plan, 18 miljard te bezuinigen in vier jaar tijd. Waarop werd bezuinigd?. Enkele voorbeelden. Op de studiefinanciering moest ruim twee miljard worden bezuinigd, op arbeidsvoorwaarden voor ambtenaren anderhalf miljard, invoering Algemene Nabestaanden Wet moest 820 miljoen opleveren, terugdringing beroep op de WAO meer dan een miljard, kinderbijslag ruim een miljard, op de AOW werd ruim 400 miljoen bezuinigd, bijdrage gemeentefonds ruim 800 miljoen, en de bezuiniging op het zorgpakket in de gezondheidszorg moest ruim een miljard opleveren.

Deze bezuinigingen werden echter slechts gedeeltelijk gebruikt voor verlaging van het financieringstekort. Het financieringstekort moest vooral minder worden door een toename van de werkgelegenheid en een hoge ekonomische groei. De bezuinigingen werden vooral gebruikt voor lastenverlichting voor burgers en bedrijven. Het overgrote deel werd gebruikt om de belastingen en sociale premies die werkgevers moesten betalen te verlagen. De overheid ging ervan uit, dat loonkostenverlagingen voor de werkgevers tot meer banen zouden leiden, met name op het gebied van laagbetaalde ongeschoolde arbeid.

Meer werk en welvaart zou uiteindelijk meer welvaart voor allen opleveren. Anno 1997 kunnen we echter konstateren, dat de bezuinigingen op de overdrachtsuitgaven tot een verarming van grote groepen heeft geleid, zonder dat ze niet meeprofiteren van de welvaart.

kenmerken

Wat waren nu de kenmerken van de nieuwe nederlandse ekonomie die zich ontwikkelde? Bedrijven streefden er in de loop van de jaren tachtig en negentig steeds meer naar, vaste kosten om te zetten in variabele kosten. Allerlei zaken die in de tradionele industriën in het bedrijf zelf werden gedaan werden uitbesteed aan toeleveringsbedrijven, zoals het produceren van halffabrikaten en dienstverlenende taken zoals marketing, boekkhouding, scholing van personeel, schoonmaak en onderhoud van machines. Daarnaast ging men grond, fabrieken en machines niet kopen maar huren van soms door een onderneming zelf opgerichte dochtermaatschappijen. Er werden bijvoorbeeld in de horeca juridische contructies bedacht zoals franchisesystemen, waarbij een exploitatiemaatschappij de financiele risico's van het ondernemen volledig afwentelde op juridisch zelfstandige dochterondernemingen. De produktie van eindprodukten werd soms een mondiale zaak; onderdelen worden in verschillnde landen op de wereld geproduceerd, waarna ze in assemblagebedrijven in een bepaald land in elkaar worden gezet.

Gebruik makend van nieuwe technologien en drastisch verminderde transportkosten en telecommunikatiekosten produceren steeds meer bedrijven delen van hun goederen en diensten over de hele wereld verspreid. De vooruitgang in het internationale telefoonverkeer, en faxen, gesproken woord en computergegevens kunnen naar alle uithoeken worden gestuurd. Men spreekt wel van de mondiale lopende band. Dit reorganisatieproces is nog volop in ontwikkeling, waarbij zelfs binnen sectoren van de ekonomie tempoverschillen en verschillende stadia van ontwikkeling kunnen bestaan. In de horeca bijvoorbeeld is de concentratie van hotels in grote ketens, die wereldwijd volgens dezelfde formule werken, veelk verder voortgeschreden dan in de restaurant-sector, terwijl in de cafe-sector nog steeds vele kleine zelfstandige bedrijven bestaan, die op een 'ouderwetse' manier produceren.

Op de bovenomschreven wijze is een ekonomisch produktiesyteem ontstaan, waarbij het financierskapitaal, dat zich steeds meer concentreerde in grote ondernemingen, (banken, pensioenfondsen, grote exploitatiemaatschappijen) verzekerd was van regelmatige inkomsten, terwijl de toeleverende of dienstverlenende sector steeds meer verwikkeld raakte in een moordende concurrentie om orders. Schommelingen in de vraag naar produkten of het cyclische karakter van sommige produktiesystemen (de mode in de textielsector) waren volledig voor rekening van de toeleveringsbedrijven. Omdat toeleveringsbedrijven met zeer smalle finaciele marges werkten, konden in deze bedrijven slechts lage lonen betaald worden, terwijl er een flexibilisering optrad in de arbeidsrelaties. Mensen moesten ontslagen kunnen worden als er even geen werk was en weer aangenomen als de produktie toenam. Er dreigt een neerwaartse spiraal te ontstaan voor lonen, arbeidsomstandigheden, werkgelegenheid en sociale zekerheid, waarbij men in de landen waar het beter is door de concurrentie gedwongen wordt zich aan te passen.

De flexibilisering van de produktie is dus nauw verbonden met de flexibilisering van de arbeid; het gaat om het omzetten van zoveel mogelijk vaste kosten in variabele kosten.

flexibilisering

flexibilisering van arbeid is een proces waarbij wordt gestreefd naar een vergroting van het aanpassingsvermogen van arbeid aan schommelingen in de produktie van bedrijven en instellingen en waarbij rekening wordt gehouden met de prive-wensen van de werknemers.

Welke vormen van flexibilisering zijn er?

Er kan een onderscheid worden gemaakt tussen interne en externe flexibilisering en tussen kwalitatieve en kwantitatieve flexibilisering. Bij interne flexibilisering wordt er binnen een organisatie naar wegen gezocht om werknemers die in vaste dienst zijn zo goed mogelijk in te zetten. Daarbij kunnen arbeidsduur, arbeidstijdstippen, locatie en functie inhoud varieren. Bij externe flexibilisering hebben de werknemers geen vaste aanstelling bij het bedrijf. Het gaat daarbij om variaties in contractduur en contract-typen.

Kwalitatieve flexibilisering heeft vooral te maken met de meervoudige inzetbaarheid van personeel. Werknmers zijn dusdanig gekwalificeerd, dat ze op meerdere taakgebieden inzetbaar zijn. Kwantitatieve flexibilisering heeft te maken met een volumevariatie in de inzet van personeel. Daarbij gaat het om de hoeveelheid personeel, het aantal gewerkte uren (de arbeidsduur) en de tijdstippen waarop wordt gewerkt.

Bij dit laatste doen de werkverspreidingsmodellen of varitijdmodellen opgang. De feitelijke arbeidstijd varieert met het werkaanbod. Dit wordt soms gekombineerd met een varable beloning.

Een apart element vormen de flexibilisering van de financiele arbeidsvoorwaarden. belangrijke ontwikkelingen hier zijn: een toename van incidentele beloningselementen, zoals prestatiebeloning en winstdelingsregelingen. Verder oa de invoering van de cafetaria elementen (cao a la carte) en de diskussie over het afschaffen van vergoedingen voor onaangename uren en overwerk. Daarnaast is er de invoering van deeltijdarbeid, die niet altijd flexibel hoeft te zijn.

De situatie in Nederland

De flexibilisering van de arbeid heeft zich in Nederland sterker voorgedaan dan in de ons omringende landen.

De Nederlandse beroepsbevolking bestond in 1983 uit vijf miljoen mensen. In 1992 waren dat er zes miljoen. Maar het toaal aantal arbeidsjaren is in deze periode gelijk gebleven. De arbeid is dus herverdeeld, vooral door flexibilisering en de toename van part-time en tijdelijk werk. Meer dan 40 procent van de nieuwe werkgelegenheid sinds 1987 is tijdelijk. Part-time werk schept de mogelijkheid, de arbeidsproduktiviteit op te voeren en mensen alleen in te zetten bij pieken in een flexibele produktie. Klachten over de hoge werkdruk van werkenden nemen sterk toe. Mensen moeten steeds harder werken in steeds kortere tijd bij een evenredige inlevering van loon. Het aantal part-time banen in Nederland is het hoogste van Europa: in 1995 37,4 procent (waarvan driekwart vrouwen). Het EU-gemiddelde is 16,1 procent. Twee op de drie vrouwen werken part-time en worden dus part-time betaald. Vrouwen werken gemiddeld slechts 25 uur, terwijl het EU-gemiddelde 32,8 uur is.

De omvang in 1995

De situatie in 1995. Minder dan de helft van de werknemers heeft een conventionele, niet flexibele arbeidsrelatie. Dat zijn er in totaal 2,9 miljoen.

Ruim een derde heeft een vaste, interne flexibele arbeidsrelatie. 5% werkt in ploegendienst, 29% dus 1,7 miljoen werkt ook s'avonds, s'nachts of in het weekend, een deel daarvan met variabele werktijden. Onbekend is hoeveel.

10.000 werknemers werkt op basis van een variabele arbeidsduur. Gedeeltelijk betreft het werkspreidingsmodellen, gedeeltelijk oproepkrachten met min-max contracten.

De omvang van externe flexibele arbeidsrelaties bedraagt 17,5 % (tijdelijke arbeid is 5,7%, oproeparbeid 5,1 % en uitzendarbeid 2,7%.

10% van de werknemers verricht overwerk. Deze cijfers geven een onderschatting van oproeparbeid en uitzendarbeid. Zo zijn alleen de full-time uitzendkrachten genomen. Dus het aantal mensen dat op deze basis werkt is in werkelijkheid groter.

In welke sectoren werken deze mensen? Met name in de landbouw en de consumptieve en maatschappelijke dienstverlening is het aantal flexibele arbeidsrelaties groot. Ploegendienst vooral in de industrie en de gezondheidszorg. In de twee sectoren wordt veel gebruik gemaakt van oproep, afroep en inval arbeid.

Enkele opvallende zaken: oproeparbeid betreft meer dan de helft van de banen van minder dan 12 uur per week. In sommige flexibele arbeidsrelaties werken meer vrouwen. Ook veel jongeren en scholieren hebben flexibele arbeidsrelaties.

Extern flexibele arbeid is laaggekwalificeerd. Maar het wordt niet altijd door laaggekwalificeerden verricht. Met name bij uitzend en oproeparbeid is er een kloof tussen het opledingsniveau en het niveau van de werkzaamheden. Bij al deze cijfers zijn de omvang van kwalitatieve flexibilisering buiten beschouwing gelaten. In de toekomst zullen de volgende nieuwe flexibele arbeidsrelaties komen:

1. pay roll services. Hierbij worden personen op de loonlijst van een pay roll services bureau geplaatst en ze zijn juridisch werkzaam op uitzendbasis. Het bedrijf zorgt zelf voor de werving en selectie, waardoor de kosten lager zijn dan bij uitzendwerk.

2. Gemeenschappelijke personeelsdienst. Dit is een soort arbeidspool, waarbij een groep bedrijven aangesloten is. De personeelsdiensten fungeren als werkgever en lenen arbeidskrachten aan de aangesloten bedrijven uit.

3. Pseudo-zelfstandigen of fictieve werknemers. Dit zijn personen, die in de loop van de tijd min of meer dezelfde werkzaamheden voor dezelfde opdrachtgever verrichten op basis van vermeende zelfstandigheid in plaats van werknemerschap. Voorbeeld zijn de kappers, die stoelen huren en voor eigen risico en rekening werken.

Nederland kent ook uitzendarbeid, meer dan de ons omringende landen. In 1996 was dit aandeel nog beperkt. 3,5 procent van de totale werkgelegenheid bestond uit uitzendwerk. Dit percentage stijgt echter snel met een half procent per jaar. Twee derde van de uitzendkrachten zoekt een vaste baan. Ruim een op de tien mensen werkt op een flexibel of tijdelijk kontrakt. Bijna de helft van de mensen werkt soms s'avonds, s;nachts en in het weekeinde.

De ontwikkeling van het nieuwe produktiemodel gaat in de meeste westerse staten gepaard met een zeer hoge strukturele werkloosheid, die nu al vele jaren duurt. In het navolgende zal ik twee aspecten van het overheidsbeleid behandelen, om dit tegen te gaan, nl de arbeidsbemiddeling en de loonkostensubsidies/additionele arbeid.

loonkostensubsidies

In het begin heb ik aangegeven, dat de verlaging van de reele lonen voor de werkgevers van beperkte betekenis is; toch is het overheidsbeleid hier eenzijdig op gericht. In de eerste plaats door te zorgen dat de ontwikkeling van het minimumloon achter blijft bij die van andere lonen. In 1995 bedroeg het minimumloon nog 51 procent van het gemiddelde loon, terwijl dit 65 procent was in de jaren zeventig. De nederlandse regering probeert laagbetaald werk op alle mogelijke manieren te stimuleren. Subsidies, afdwingen van lagere loonschalen in cao's, kortingen op loonkosten en door zelf werk te scheppen voor het minimumloon. Een voorbeeld zijn de wettelijke maatregelen van afdrachtsvermindering op loonkosten. Werkgevers krijgen een afdrachtskorting wanneer ze iemand in dienst nemen op het niveau van het WML. Dit geldt dus niet alleen voor langdurig werklozen. Verder kunnen ze gedurende een aantal jaren een bedrag krijgen voor het in dienst nemen van een langdurig werkloze die niet meer verdient dan 130% van het WML. Daarnaast is er nog de kaderregeling arbeidsinpassing als tegemoetkoming voor de kosten van training en begeleiding. Verder is er nog de Wet Bevordering Arbeidsinpassing, voorheen de wet Vermeend/Moor. Hier krijgen werkgevers voor een bepaalde periode vrijstelling van premiebetalingen tot 16% van de brutoloonsom bij het in dienst nemen van langdurig werklozen voor meer dan 15 uur. Er zijn nog veel meer regelingen, zoals de kaderregeling uitzendarbeid, subsides van de Europese Unie en loonkostensubsidies van het GAK, die vooral betrekking hebben op het weer in het arbeidsproces opnemen van gedeeltelijk arbeidsongeschikten. Maar de regering en het Centraal Planbureau geven zelf aan, geen idee te hebben wat nu precies de werkgelegenheidseffecten van deze maatregelen zullen zijn en of de kansen van langdurig werklozen en arbeidsongeschikten ook werkelijk verbeterd worden. Het CPB heeft geen werkgelegenheidseffecten van deze kortingen en subsidies heeft kunnen berekenen. Het is dus onbekend, wat het effect is. In antwoord op kamervragen heeft de regering bijvoorbeeld geantwoord, dat de effecten in de dienstensector niet vast te stellen zijn.

Het gaat vaak om werk dat eerder wegbezuinigd is en daarnaast worden duurdere werkenden verdrongen. Deze verdringing treedt op bij loonkostensubsidies aan de onderkant van het loongebouw. Duurdere ouderen worden verdrongen door goedkope werklozen. (Voorzover ze sowieso in dienst worden genomen, slechts 7% van de werkgevers maakt van allerlei loonkostensubsidies gebruik) En tenslotte stroomt slechts 5 tot 10 procent van de mensen in de additionele arbeid door naar een reguliere baan. Kortom: flexibele inzet van personeel met een hoge arbeidsproductiviteit, waarbij de werknemer over het vermogen beschikt zich in zeer korte tijd in te werken en waarbij geen financiele claims wegens ziekte kunnen volgen is aanzienlijk goedkoper dan de inzet van personeel, dat een iets lagere arbeidsproductiviteit en/of een iets hoger ziekteverzuim heeft of waarbij rekening moet worden gehouden met de gezinsomstandigheden van de werknemer.

arbeidsbemiddeling

In de arbeidsbemiddeling doen zich de volgende ontwikkelingen voor.

1. De oprichting van centra voor werk en inkomen. Uiterlijk op 1 januari 2001 moeten alle arbeidsburea's sociale diensten en uitvoeringsinstellingen opgegaan zijn in een 'front-office' in ongeveer 219 centras voor werk en inkomen. Slogan: werk boven inkomen. De werkzoekende komt binnen langs een haag van vacatures en helemaal aan het einde van de gang zit een mannteje voor de aanvraag van de uitkering. Voordat een uitkering sowieso in zicht komt, wordt eerst pogingen in het werk gesteld iemand aan werk te helpen. De druk op de werkzoekenden wordt groter. Dit blijkt ook uit de recnte verscherping van de sollcitatieplicht in de ww.

2. De commercialisering van de uitvoering van de sociale zekerheid en de arbeidsbemiddeling. Nu al zijn er verschillende gemeenten, die de uitvoering van de bijstandswet uitbesteden aan partikuliere bedrijven, zoals accountantsburo's. Wat de arbeidsbemiddeling betreft is het einde van de gedwongen winkelnering in zicht. De uitkeringsinstanties zijn volgend jaar nog verplicht de begeleiding van hun bijstandsgerechtigden, ww-er sen wao-ers in te kopen bij de arbeidsburea's. Vanaf 2001 mogen de uitkeerders kiezen tussen de publieke arbeidsburea's en de commerciele uitzendbureau's. Commerciele uitzendburea's moeten bij de centra voor werk en inkomen betrokken worden. Men moet elkaar beconcurreren.

3. De uitgaven voor arbeidsbemiddeling uit de publieke middelen wordt verminderd. De arbeidsbureau's krijgen in plaats van 1 miljard nog maar 500 miljoen en daarnaast een prestatiebudget van 500 miljoen, waarbij ze afgerekend worden op het aantal geslaagde bemiddelingen. Dit geld zal in de toekomst ook gebruikt worden om uitzendbureau;s in te schakelen.

De gevolgen: Dit kan leiden tot de situatie, dat op de vrije markt alleen de kansrijkste groepen geholpen worden. Het is dan zo, dat de mooie klusjes naar Randstad gaan en alleen nog de moeilijke gevallen naar arbeidsvoorziening.

De uitvoering van de sociale zekerheid en de arbeidsbemiddeling zal zich steeds meer onttrekken aan een demokratiusche controle.

In het kader van de commerciele arbeidsbemiddeling zal zich dan de volgende ontwikkeling afspelen: veel bedrijven proberen op een goedkope manier aan geschikte arbeidskrachten te komen, dwz zonder al te veel investeringen in opleidingen, begeleiding, en aanpassing van de arbeidsplaats aan bv gedeeltelijk lichamelijk of geestelijk arbeidsongeschikten. Daarvoor staan twee wegen open: ten eerste werven van ouderen, die nu pensioenrechten hebben, of van 'gezonde' mensen die zich tot nu toe niet op de arbeidsmarkt aanboden. Ten tweede: nu al probeert men arbeidskrachten uit het buitenland te halen. Dus de hoge strukturele werkloosheid zal blijven. Voor grote groepen langdurig werklozen blijft het perspectief gering. Vroeg of laat zal men bij toenemende ekonomische groei en het ontstaan van spanningen tussen vraag en aanbod voor de principiele vraag komen te staan: investeren we fors in de langdurig werklozen, om hen nog geschikt te maken of werven we kant en klare, gezonde arbeidskrachten uit het buitenland? Men zal de laatste keuze maken van wege beleids- en andere concurrentie. De arbeidsmarkt ontwikkelt zich niet harmonieus; werkloosheid op sommige markten, tekorten op andere markten.

Ik wil nu niet dit hele vraagstuk behandelen, maar kort aangeven hoe werkloosheid en werklozen in deze discussies soms ter sprake komen. Voortdurend worden er discussies gevoerd over de noodzaak, langdurig werklozen weer bij de maatschappij te betrekken. Werklozen zouden lui zijn, individualistisch en calculerend optreden zonder normen en waarden. Ze hebben geen arbeidsritme en maken geen deel meer uit van sociale verbanden en wonen in getoo's die zijn afgesneden van de rest van de maatschappij en waar culturen van werkloosheid heersen. Op basis daarvan worden naast de reguliere arbeidsnbemiddeling allerlei begeledingstrajecten en projecten opgezet, die werklozen weer moeten terugleiden naar betaald werk. Daarnaast besteed men veel aandacht aan de bestrijding van fraude. clienten/doelgroepen?? Bij deze maatregelen vind er een indvidualisering en de-politisering van de problemen plaats. Werkloosheid en criminaliteit is het gevolg van individueel gedrag. Randgroepjongeren, en anderen moeten aangesproken worden op hun gedrag, een andere moraal worden bijgebracht en zij moeten op basis van een uitgebreid stelsel van regels worden gekontroleerd.

De organisatie van ons 'poldermodel' en de daarbij behorende neo-liberale ideologie, waarbij een bepaalde levenswijze wordt uitgedragen, blijft daarbij buiten beschouwing. Is het opzetten van projekten om het gedrag van werklozen te veranderen geen dweilen met de kraan open, als de massa-werkloosheid onveranderlijk groot blijft en grote groepen door de toename van flexibele arbeid permanent in (financiële) onzekerheid verkeren?. Door haar eenzijdige betrokkenheid op het gedrag van het individu is dit overheidsbeleid tot mislukken gedoemd.

Voortdurende werkloosheid

Al deze maatregelen hebben het voortbestaan van een hoge strukturele werkloosheid niet kunnen voorkomen. Sommigen vallen buiten de boot omdat ze niet meekunnen in de caroussel van de flexibele arbeid. Het aanbod van arbeidskrachten is statistich gezien groot. Officieel ligt de werkloosheid op ongeveer 7 procent van de beroepsbevolking. Maar bij het Centraal Buro voor de Statistiek staat de teller op 17 procent (ruim 1,2 miljoen mensen), wanneer alle mensen meegeteld worden die niet of minder dan twaalf uur per week werken en een baan willen van twaalf uur of meer. Volgens andere berekeningen komt in Nederland de werkloosheid zelfs boven de 20 procent van de beroepsbevolking uit, wanneer gedeeltelijk arbeidsongeschikten en vervroegd gepensioneerden worden meegeteld.

Bij dit grote aanbod kunnen werkgevers eisen stellen. Je moet op die en die uren werken, je moet die en die kant en klare opleding hebben, je moet geen periode van ziekte achter de rug hebben, want dan bestaat misschien het risico, dat je weer ziek wordt, etc. Deze ontwikkeling wordt versterkt door het overheidsbeleid. Recente onderzoekingen tonen aan, dat de nieuwe zektewet op grote schaal risicoselectie tot gevolg heeft en dat gedeeltelijk arbeidsongeschikten vrijwel niet aan de bak komen.

verarming

De flexibilisering en de massawerkloosheid betekent, dat een steeds grotere groep mensen geen levenslange zekerheid meer kan ontlenen aan betaald werk. Onderzoekingen tonen aan, dat steeds meer mensen gedurende een lange periode in hun leven met armoede te maken krijgen. In het rapport 'Bevolkingsvraagstukken in Nederland' dat onlangs door het Nederlands Interdisciplinair demografisch instituut werd gepubliceerd blijkt, dat de kans om een periode van armoede door te maken voor iedereen groter wordt. De sociale zekerheid is niet toegesneden op demografische ontwikkelingen, terwijl de flexibele arbeid weinig bestaanszekerheid biedt. Naast de armoede die bepaalde bevolkingsgroepen betreft komt de meer individuele armoede; Het kan iedereen ieder moment overkomen. Een groot deel van de mensen slaagt er nog in, een vaste baan te veroveren, of aan te sluiten bij de felxibilisering van de ekonomie en een duurzaam inkomen te verwerven als zelfstandige of free-lancer. Een deel echter niet. Vroeger had je een stelsel van vaste banen, met een daaraan verbonden sociale zekerheid.

Werd je ziek, dan waren er de volksverzekeringen en de werknemersverzekeringen, zoals de Ziektewet en de WAO. Deze voorzieningen zijn door overheidsbezuinigingen grotendeels afgebouwd.

sociale stelsel verouderd

Verarming treedt dus op door bezuinigingen op de sociale zekerheid, flexibilisering van de arbeid en massa-werkloosheid. Deze ontwikkeling wordt verscherpt door het feit, dat het stelsel van sociale zekerheid verouderd is. Het stelsel van sociale zekerheid voorzover dat nog bestaat is niet toegesneden op de flexibele arbeidsmarkt. Bij het opbouwen van rechten gaat men nog steeds uit van een vaste baan van 36 of 38 uur. Wie aangewezen is op flexibel werk en ziek wordt of om een andere reden niet kan werken, bijvoorbeeld omdat men kleine kinderen moet verzorgen, komt vaak meteen of na een half jaar WW in de bijstand, dus het absolute minimum. (Als je al voor de WW in aanmerking komt) Vrouwen zijn steeds beter opgeleid en blijven werken als ze kinderen hebben, maar meestal is dat een deeltijdbaan, een aanvullend inkomen. Na een scheiding hebben ze vaak moeite ekonomisch zelfstandig te worden. Armoede komt dan ook het meest voor onder alleenstaande vrouwen.

Niet alleen de regelingen zijn niet toegesneden op de nieuwe situatie, ook de uitkerende instanties kunnen er vaak niet mee omgaan. Mensen die soms een baantje hebben maar af en toe aangewezen zijn op de bijstand of mensen die naast hun flexibele baantje een aanvullende (bijstands)uitkering hebben ervaren bijna dagelijks, hoeveel moeite de uitkerende instanties hebben met het verwerken van de mutaties. Dit leidt tot verkeerde berekeningen of zelfs tijdelijke onterechte stopzetting van de uitkering met als gevolg dat men gedurende een korte periode helemaal zonder inkomsten zit.

De bijstand wordt wel gezien als een vangnet voor degenen, die geen mogelijkheden hebben om via betaalde arbeid in hun onderhoud te voorzien en die niet verzekerd waren. Hoewel er een grote groep is, waarvoor dit geldt, heeft de bijstand ook een andere functie: een tijdelijke aanvullende inkomensvoorziening voor degenen die meedraaien in de caroussel van de flexibele arbeid. In een stad als Amsterdam, met ongeveer 65.000 bijstandsgerechtigden, zijn er maandelijks 1500 mutaties. Er stromen 1500 uit en er stromen 1500 in. Een beperkte groep stroomt niet uit omdat ze arbeid vinden maar omdat ze bijvoorbeeld 65 jaar worden. 77% van de clienten is echter nog geen 55 jaar, zodat het duidelijk is, dat naast een permanente groep van ongeveer 30.000 bijstandsgerechtigden een zeer grote groep Amsterdammers voor kortere of langere tijd op de bijstand is aangewezen, naast het werk wat ze verrichten. Overigens zijn exacte cijfers over de aard van het verloop in de bijstand in Amsterdam niet bekend. Het voorgaande sluit aan bij wat hiervoor gezegd werd over het verschijnsel, dat een steeds grotere groep inwoners gedurende een bepaalde tijd in armoede leeft.

Kategorien

Aldus zijn zeer veel inwoners van ons land voor korte of langere tijd slachtoffer van de dynamiek van het poldermodel. In de eerste plaats zijn dit de ouderen, die in de jaren zeventig of de eerste helft van de jaren tachtig werden afgedankt omdat ze bij de reorganisatie van de ekonomie overbodig waren geworden en die onmvoldoende sociale zekerrheidsrechten uit arbeid hadden opgebopuwd. Een voorbeeld zijn de alleenstaande AOW-ers, meestal vrouwen, die geen pensoeinrechten hebben opgebouwd. Overigens profiteert een deel van de ouderen, die in de jaren zeventig en tachtig pensieonrechten hebben opgebouwd, wel van het poldermodel omdat de grote rendable vermogens van de pensioenfondsen uitbetaling van redelijke pensioenen mogelijk maken.

In de tweede plaats zijn er de jongeren, die om welke reden dan ook niet kunnen voldoen aan de hoge eisen van de werkgevers op het gebied van de arbeidsvoorwaarden. Voorbeelden zijn gedeeltelijk arbeidsongeschikten en bijstandsvrouwen.

Tenslotte is er een zeer grote groep Nederlanders, die gedurende enige jaren of soms nog iets langer in armoede leeft. Voorbeelden zijn studenten en mensen, die gedurende langere tijd zijn aangewezen op de kombinatie van bijstand en flexibele arbeid.

Of, om het nog eens te zeggen in de woorden van de troonrede 1997: 'Een open samenleving, waarin veranderingen snel doorwerken, biedt aan velen aantrekkelijke kansen voor ontplooiing en groei, maar kan ook leiden tot sociale uitsluiting van mensen die niet mee kunnen komen'. Er wordt erkent, dat er iets niet klopt bij het poldermodel, maar het gaat om mensen 'die niet mee kunnen komen'. De oorzaak wordt toch weer gelegd bij het gedrag en de eigenschappen van het individu. Het systeem is op zich goed. Ik kom daar nog op terug.

neo-liberale ideologie

Dit overheidsbeleid is gebaseerd op een neo-liberale ideologie waarop de organisatie van ons poldermodel is gestoeld.

Deze ideologie gaat in de eerste plaats uit van een marktdenken, waarbij er een soort onzichtbare hand op de markt is die alle individuele handelingen tot een geheel samensmeedt en dan komt vanzelf de meest efficiente, beste oplossing uit de bus. Het is een beetje de gedachte dat iedereen miljonair kan worden. Geef de individuene vrijheid van ondernemen, iedereen kan zo een bedrijf beginnen, en als je maar hard werkt en gedisciplineerd bent dan kom je er wel. De mensen moeten voor zichzelf streven naar een grote welvaart en proberen hogerop te komen, en de maatschappij biedt mensen de kans om dit te realiseren. Als individuen met elkaar concurreren om dat te bereiken betekent dit een grotere welvaart voor allen. Vanuit deze opvattingen etaleren sommige liberalen een sterk anti-staatsdenken; de staat moet terugtreden, er moet deregulering komen, waarbij de ekonomische handelingsvrijheid van het individu wordt vergroot. Dit betekent: de staat zou ontlast kunnen worden door overheveling van taken naar de markt, uitkeringen kunnen verlaagd worden, zorg voor bejaarden en zieken en allerlei vormen van hulp kunnen ook van de publieke naar de private sfeer worden geschoven. Zo wordt de staat financieel ontlast.

Tegelijkertijd wordt in het neo-liberalisme een grote staatsmacht als noodzakelijk gezien. De staat moet het recht op eigendom en vrijheid van de burger beschermen door middel van regulering van de concurrentie op de markt, de aanleg van een infra-structuur, die niet door afzonderlijke ondernemers kan worden opgebracht, etc. Met andere woorden: ekonomische regulering door de staat. Deze noodzaak van overheidsingrijpen wordt verbonden met een moreel offensief waarbij het harde individualisme als levensstijl wordt toegejuichd op sociaal-ekonomisch gebied, maar waarbij tegelijkertijd van dezelfde burger spaarzaamheid, familiezin en een sociaal gevoel wordt gevraagd. Naast de deregulering is er de regulering van de staat omdat het eigendom moet worden beschermd en mensen tot bepaalde gedragingen moeten worden gebracht: deze toenemende regulering zien we echter vooral op het terrein van de controle van mensen, die nog gebruik kunnen maken van uitkeringen en voorzieningen die door de staat worden georganiseerd. Den Uyl konstateerde in 1982 dat de buerger in allerlei regelingen zit ingekneld, ieder moment het risico loopt een voorschrift te overtreden terwijl ten aanzien van allerlei zeer belangrijke beslissingen niets geregeld is, zoals de sluiting van bedrijven, het geld en kapitaalverkeer, de bestemming van winsten. Deregulering bovenaan en meer regulering aan de onderkant van de maatschappij.

In onze polder met zijn overheersende neo-liberale ideologie is een ontwikkeling gaande, waarbij het individu in toenemende mate het gevoel heeft, te staan tegenover een door periodieke verkiezingen nauwelijks nog te beinvloeden anonieme staat waarbij belangengroepen van mensen aan de onderkant of van werknemers weinig invloed hebben. Aan de ene kant wordt het individu onderworpen aan de concurrentiewetten van de arbeids- markt. Mensen worden veronderstelt, in concurrentie met andere individuen hun eigen belang na te streven. Aan de andere kant is er de anonieme staat, die regels, geboden en sancties ontwerpt om het gedrag van al die individuen te controleren. De staatsburger wordt op basis van deze moraal ook op zijn individueel gedrag aangesproken.

ineenstorting

Sommige critici van het poldermodel voorspellen haar ondergang. Daarbij worden verschillende argumenten aangevoerd. Een argument is, dat wanneer onze buren overgaan tot een vergelijkbare loonmatigingspolitiek het gedaan is met onze stijging van de export en ekonomische groei, omdat we het concurrentievoordeel niet meer kunnen uitbuiten. Uit het voorgaande moge blijken dat ik vraagtekens plaats bij dit argument. Ik heb in het voorgaande de betekenis van de loonmatiging gerelativeerd en gesteld, dat de sterke flexibilisering van de ekonomie (de flexibilisering van de rechtspositie van de werknemer) minstens even belangrijk is voor het succes van het poldermodel. Het is overigens duidelijk, dat er voorbeelden zijn waarbij in een land bij vergelijkbare macro-ekonomische omstandigheden in de ene streek de ekonomie kromp, waarbij fabrieken op grote schaal werden gesloten terwijl in een andere streek de ekonomie een grote bloei doormaakte. Dit is zowel in Spamje, in de Verenigde Staten als in landen van de 'Pacific Basin' gebeurd. Het is zeer goed mogelijk, dat ook bij een Europese ekonomische eenwording, met een munt en een markt een sterk onderscheid blijft bestaan tussen ekonomisch sterke en ekonomisch zwakke regio's.

Een ander argument heeft betrekking op de onmogelijkheid, de grote vermogens die gevormd worden te herinvesteren in de ekonomie. Dit zou tot een krisis leiden op de kapitaalmarkten.

nieuwe ontwikkelingen

Een omstreden ontwikkeling wordt gesignaleerd door de Duitse socioloog Claus Offe. Tot nu toe was de maatschappij van de Europese verzorgingsstaten georganiseerd rond de loonarbeid, gebaseerd op collectieve en individuele contracten tussen werkgevers en werknemers. Het leven van de mensen en de overlegstrukturen in de maatschappij werden door deze contractuele loonarbeid bepaald. Volledige werkgelegenheid was een noodzakelijke voorwaarde voor het handhaven van dit compromis tussen arbeid en kapitaal. Volgens Offe begint de loonarbeid als contract tussen arbeid en kapitaal zijn centrale positie in de maatschappij te verliezen. De betaalde arbeid wordt steeds minder de alles structurerende kracht in de maatschappij van de verzorgingsstaten. Mensen werken een steeds kleiner gedeelte van hun leven en door de al twintig jaar durende structurele massa-werkloosheid en de flexibilisering verliezen de vakbonden een deel van hun macht en invloed waardoor zij het verdwijnen van de oude contractmaatschappij met zijn sociale verzekeringen tegenover het neo-liberale (ideologisch) geweld niet kunnen tegenhouden. Bestaanszekerheid, voorzover die nog bestaat, wordt meer gebaseerd op particuliere, commerciële verzekeringen.

Het signaleren van deze ontwikkeling hoeft niet in strijd te zijn met het principe van comodifikatie: betaalde arbeid dringt steeds meer door in de privé sfeer van de mensen, omdat onbetaalde arbeid, bijvoorbeeld in het huishouden die gebaseerd was op solidariteit steeds meer vervangen wordt door commerciële, betaalde arbeid. Het lijkt daardoor of de betaalde arbeid zich uitbreidt. In Nederland is de werkgelegenheid, uitgedrukt in arbeidsjaren, de afgelopen twintig jaar echter niet toegenomen, ondanks een hoge economische groei. Voortdurend verdwijnen er markten en worden nieuwe opgebouwd. De loonarbeid als contract tussen verschillende partijen die elkaar in evenwicht houden verliest zijn alles structurerende kracht.

Ik ga nu in op een tweede ontwikkeling in de maatschappij. Er was tijdens de debatten van ELAN een nadere beschrijving van een ontwikkeling die ook al door Paul Kalma van de Wiardi Beckman Stichting was beschreven.

Nationale staten in Europa verliezen steeds meer bevoegdheden. Enerzijds verliezen zij bevoegdheden aan supra-nationale organen op Europees niveau, anderzijds gaat men over tot privatisering van publieke taken en is er een decentralisatie van bevoegdheden naar lokale instanties. (waarom?) Dit heeft tot gevolg, dat er tussen de staat en de markt semi-private ondernemingen ontstaan met een monopoliepositie, die niet zijn onderworpen aan een democratische controle. Voorbeelden zijn de PTT, de spoorwegen, woningbouwverenigingen, ziekenfondsen. De nationale staten zijn daardoor steeds minder regulerende instanties, en steeds meer een onderhandelingspartner tussen vele andere. Maar deze ontwikkeling wordt bestreden door Duyvendak.

toekomst

nog andere ontwikkelingen, die niet zozeer door critici alswel juist door de architecten van het poldermodel als een gevaar worden gezien. In de sociale wetenschappen en in politieke partijen wordt steeds meer aandacht besteed aan de vraag: is de sociale cohesie, de sociale samenhang aan het verminderen?. Oude kaders van wijk, kerk, werk en gezin zijn aan het verdwijnen terwijl de architecten van het poldermodel het gevoel hebben, dat er niets voor in de plaats komt. Wel zijn er in de diverse Europese landen? beleidsontwikkelingen waarbij men behoud of herstel van sociale cohesie probeert te bewerkstelligen. Voorbeelden zijn de sociale vernieuwing, de demokratisering en de sociale activering. Wat zijn de kenmerken van deze pogingen? Wat is het doel?

Doel lijkt vooral te zijn, nieuwe vormen te vinden-nu de betaalde arbeid haar strukturerende en disciplinerende kracht verliest-om het gedrag van de individuele burgers te controleren en te sturen en te incorporeren in de totale maatschappij. Dit heeft verschillende aspecten. Ten eerste de wijze van demokratisering-het scheppen van een nieuw maatschappelijk middenveld en andere wijzen van beinvloeding/besluitvorming. De problematiek van het ontbreken van een maatschappelijk middenveld. De nieuwe demokratiseringspogingen van het ministerie van verkeer en waterstaat die daartegenover worden gesteld. De nieuwe inspraakprocedures. De tegenstrijdige ontwikkeling van enerzijds adviesorganen afbouwen en anderzijds juist opbouwen. Bijvoorbeeld bij cliebntenraden is het ook een [poging om bovenaan te kunnen zien wat er op de werkvloer gebeurt.

Ten tweede nieuwe vormen van controle via oa nieuwe vormen van samenwerking tussen opsporingsinstanties en toepassing van nieuwe technologien met het benadrukken van negatieve sancties. De opsomming van de diverse pogingen om bestanden te koppelen.

Ten derde het terrein van menselijke activiteiten dat nu nog niet onder bureacratische controle staat uit te breiden.

strategische gevolgen

Veel is echter nog onduidelijk. Wat zal bijvoorbeeld de verhouding zijn tussen supra-nationale organen op Europees en zelfs mondiaal niveau aan de ene kant en de regio's aan de andere kant? Tijdens de debatten van Elan werd geconcludeerd, dat we in een 'interregnum' leven, een tussenperiode, waarin het duidelijk is, dat oude-historisch gegroeide organisatievormen en strategieën hebben afgedaan, maar waarbij nieuwe zich nog niet hebben uitgekristalliseerd. De vraag doet zich voor, wat de gevolgen zullen zijn van deze ontwikkelingen voor de organisatie van de maatschappij en voor een belangrijk uitgangspunt van links- de organisatie van de solidariteit om een dam op te werpen tegen het ontstaan van een (darwinistische) vechtmaatschappij.

Sommigen streven in de discussie naar een restauratie van de macht van politieke partijen en zij willen een herstel van het primaat van de politiek. De nationale parlementen moeten weer de fora worden waar de belangrijkste discussies plaatsvinden en deze parlementen moeten weer een sturende kracht in de maatschappij worden. De terugtrekkende beweging van de vele adviesorganen die in intermediair artikel worden genoemd. Tijdens de debatten in het kader van Elan kwamen ook andere uitgangspunten naar voren. Ricardo Petrella en Claus Offe constateren, dat binnenkort 60% van de wereldbevolking in de steden leeft. Het zijn smeltkroezen van vele volkeren en culturen, die het op lokaal niveau met elkaar moeten zien te rooien en waar nieuwe vormen van solidariteit kunnen ontstaan die de belangen of opvattingen van een bepaalde cultuurgroep kunnen overstijgen. Petrella ziet veel in de nieuwe basisbewegingen, de one-issue groeperingen die als paddestoelen uit de grond rijzen. Deze groeperingen beschikken vaak over uitstekende communicatiemiddelen en hoger opgeleid kader zodat ze plaatselijke ontwikkelingen kunnen verbinden met mondiale trends en daar adequaat op reageren. Petrella noemt dat 'glokalisering'. Deze opvattingen sluiten aan bij wat in de discussie over de brochure van de Wiardi Beckman Stichting 'De verplaatsing van de politiek' naar voren kwam, nl dat we niet moeten streven naar een herstel van de macht van nationale parlementen, maar dat we een op de lokale gemeenschap gericht beleid moeten ontwikkelen, waarbij getracht wordt de semi-private instituties die ontstaan tussen markt en staat te democratiseren. Vervolgens kunnen coalities van verschillende regio's en steden ontstaan, waarbij men elkaar ondersteund op basis van contracten en wederzijdse verplichtingen. De contracten moeten volgens Petrella uitmonden in een sociaal wereldparlement. Politieke partijen en vakbonden hoeven daarbij niet te verdwijnen maar zij veranderen van karakter. In plaats van op de nationale staat gerichte dragers van groeps belangen worden het meer intermediairs die de belangen van de regio verdedigen en overeenkomsten sluiten met andere regio's. De tradtionele rol van de vakbonden, waarbij zij de dragers zijn van humane waarden als solidariteit en gelijkberechtiging die zij afdwingen via contracten met werkgevers en de staat zal dus verminderen. Zij worden daarnaast dragers van de regionale economische belangen, waarbij de notie van economisch burgerschap een rol speelt. Naast het politieke burgerschap-burgers hebben krachtens geboorte bepaalde grondrechten - komt een economisch burgerschap in de regio- alle burgers hebben krachtens hun geboorte, gewoon omdat ze mens zijn- recht op een deel van de regionale welvaart, ongeacht hun verdere status in de maatschappij. Er zal daarbij een loskoppeling van arbeid en inkomen plaatsvinden.

de lange mars

Voordat coalities tussen regio's tot stand komen hebben we nog een lange weg te gaan. De one issue bewegingen leven-ook op stedelijk niveau- vaak gescheiden van elkaar waarbij er weinig of geen onderlinge afstemming en coördinatie is, terwijl er van deze oppositiebewegingen vaak weinig kracht uitgaat. Meer zeggen over de knelpunten bij de one-issue bewegingen. De stedelijke besturen-gedomineerd door de lokale elite en de vertegenwoordigers van traditionele politieke partijen- lijken weinig andere mogelijkheden te zien dat de regio of stad te onderwerpen aan de concurrentiewetten van de wereldmarkt waarbij de stedelijke regio's zich door grote internationaal opererende ondernemingen tegen elkaar laten uitspelen. Dit werkt door in de planning van de ruimtelijke ordening (grootschalige projecten die een concurrentiepositie moeten opleveren in de slag om het meest gunstige vestigingsklimaat voor internationale ondernemingen). Een verbinding tussen stedelijke gebieden om op basis van een door de bevolking gedragen beleid coalities te sluiten met andere steden lijkt nog ver weg.

Van belang bij de vraag, wat de toekomstige ontwikkelingen zullen zijn is de opstelling van de lokale elites die vaak wel internationale verbindingen hebben. Zullen zij de organisatie van een zekere solidariteit in de samenleving waarbij men niet puur economisch redeneert nog tolereren? Oftewel: hebben zij belang bij het voortbestaan van een zekere sociale cohesie?. En daar direct mee verbonden: zullen zij daarom concessies doen aan oppositiebewegingen?.

Met name Abraham de Swaan en Claus Offe hebben hierover gedebatteerd. De nationale elites hebben bij de opbouw van de traditionele verzorgingsstaten sociale cohesie, met name de integratie van de arbeidersklasse in de kapitalistische maatschappij wel als hun belang gedefinieerd ook al vanwege de communistische dreiging uit het Oosten. De sociaal-democraten zeiden in bedekte termen: accepteer onze voorstellen, anders zullen de communisten jullie ophangen!.

Daarom was de nationale elite bereid concessies te doen aan de vakbonden en de sociaal-democratische partijen. Hoe dat in de toekomst gaat is onduidelijk. De Berlijnse muur is gevallen, en lokale hongeropstanden of burgeroorlogen lijken de positie van de elites in het westen niet te bedreigen.

Tot nu toe komen uitkeringsgerechtigden niet effectief in verzet tegen de afbouw van de welvaartsstaat. Ruud Vlek geeft daarvoor verschillende teorien, die allemaal een aspect zijn van de machteloosheid van uitkeringsgerechtigdengroepen.

1. De fragmentatie of heterogeniteitsthese. De belangenfragmentatie van uitkeringsgerechtigden ten gevolge van het sociale zekerheidsstelsel is ervoor verantwoordelijk, dat een unifikatie van en allianties tussen verschillende belangengroepen niet of heel moeilijk tot stand komt. De kategorale belangenorganisaties komen op voor het deelbelang van de eigen groep.

2. De homogeniseringsthese. De ontwikkeling van zo'n brede beweging is niet uitgesloten op grond van een politiek-juridsiche en financliel gelijkschakeling van uitkeringsgerechtigden. De invoering van een ministelsel en grote groepen die als gevolg van een bijvende massa-werkloosheid langdurig op minimumuitkeringen zijn aangewezen.

3. De uitvoeringskrisis these. Protestbewegingen zijn enkel te verwachten bij een acute krisis van het uitkeringssysteem. Bijvoorbeeld een plotselingen grote toeloop of disfunctionerende uitvoeringsinstanties. Dit kan worden tegengegaan door inkapseling middels clientenraden, versoepeling van uitkeringsregimes of door stroomlijning van de organisatie.

4. De these van de politieke bronnenarmoede. Uitkeringsgerechtigden zijn principieel machteloos omdat ze nauwelijks berschikken over interne en externe politieke en financiele hulpbronnen en invloedsmiddelen.Het ontbreekt hen aan collectieve ontmoetingsplaatsen en aan mogelijkheden voor ontregeling of verzet, zoals stakingen. Ze beschikken over weinig burgerlijke vaardigheden, leiderschapskwaliteiten en externe bondgenoten, waardoor de organisaties zwak zijn.

5. De apathie en berustingsthese. Een sociaal-psychologische verklaring. De werkloze maakt verschillende fasen door, die eindigen in berusting. Berusting is een rationele reaktie op de beperkte sociale en politieke mogelijkheden van het uitkeringsbestaan. Een deel gaat het te slecht om in aktie te komen.

6.De openheid of geslotenheid van het politieke proces. Er functioneert een duidelijke politieke statushierarchie m.b.t de rechten en plichten van uitkeringsgerechtigden. Dit is afhankelijk van het arbeidsethos, en daarmee de sociaal-juridsiche legitimiteit, de electorale betekenis van bepaalde groepen etc.

Verder een specifieke regeringscoalitie moet rekening houden met de uitkeringsgerechtigden, die op haar stemmen. In de politieke krachtsverhoudingen spelen uitkeringsgerechtigden een rol. Het verzet van de Franse werklozen en in duitsland laat zien, dat verzet op wat grotere schaal toch wel mogelijk is. Ondanks het gebrek aan bronnen, etc. De geschiedenis van de nederlandse werklozenbeweging-met het ontstaan van werklozen belangen verenigingen - laat zien, dat aan verschillende voorwaarden moet worden voldaan wil er verzet komen.

1. Het moet gaan om grote groepen, die in dezelfde positie zitten en die maar in beperkte mate over verschillende posities worden verdeeld, waardoor ze verschillende belangenposities hebben en die langdurig op een uitkering zijn aangewezen. Dit systeem is nergens zo verfijnd als in nederland. Dit sluit aan bij de homogeniseringsthese.

2. Een sterke vakbond of politieke partij moet zich aansluiten bij de werklozenbeweging. In de zeventiger jaren was dat in nederland de cpn, en in frankrijk is dat de cgt. Ook in duitsland lijken vakbondsgroepen, met name bouwbonden uit oost-duitsland, zich bij de werklozen aan te sluiten.

3. De politieke openheid moet groter worden, zodat de werklozenorganisaties worden erkend en meer gehoor vinden, waarbij de truucs om ze eronder te houden minder worden. In Nederland bestond in de zeventiger jaren het kabinet den Uyl en een algemeen opstandig klimaat. Dit zelfde is nu ook in Frankrijk aan de gang. De politieke onwrikbaarhei8d van rechtse regeringen verlamt de beweging, waardoor ze eerder zal verlopen. "Het helpt toch niet".

4. De (langdurige) werkloosheid moet over verschillende sociale lagen van de bevolking zijn verdeeld, dwz mensen met verschillende opleidingsnivo'sd en leeftijden betreffen. Dit was in de zeventiger jaren het geval met de studentenbeweging en de bouwvakkers, die de eerste werklozenkomitees oprichtten. Ditzelfde ook in Frankrijk, waar het gezegde is, dat iedere Fransman wel een werkloze in zijn naaste familie heeft, en dus begrip heeft voor de standpunten van de werklozen.

5. Werklozen bouwen een beweging niet op door te pogen, massale demonstraties te organiseren, maar door ontregelingsakties van relatief kleine groepen, die veel publiciteit halen. Ook dit gebeurde in Nederland in de zeventiger jaren en halverwege de tachtiger jaren en nu in Frankrijk.

6. De eisen zijn vrij traditioneel, maar een soort tussenoplossing. Dat sluit aan bij het traditionele arbeidsethos in de maatschappij. 'Wij willen werk' leeft meer dan: wij willen afschaffing van de sollicitatieplicht en een basisinkomen.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Al met al sombere conclusies van debatten, waarin toch langzaam maar zeker lijnen voor een nieuwe strategie van links naar voren komen. Maar er is niet alleen somberheid. Het boek van de PvdA-leden in Utrecht maakt duidelijk, dat ook daar het een en ander begint te schuiven. Het positieve daarvan is m.i dat er in steeds breder kring een debat wordt gevoerd waarbij een fundamentele kritiek op het neo-liberale marktdenken opnieuw wordt geformuleerd.

Een nederlandse politicoloog die zich heeft gebogen over de verhouding tussen lokale instituties-regio's en de nationale en internationale organisaties is Marius de Geus. Hij ziet het ontstaan van wat hij noemt een telescopische eco-staat. Al naar gelang het onderwerp en de discussie spelen verschillende niveau's in de besluitvorming een rol.

 

 

 

 

 

Daarbij zou ik willen stellen, dat de vakbeweging zich ontwikkelt in de richting van een soort consumentenorganisatie, waarbij men opkomt voor directe deelbelangen, zonder dat er nog vragen worden gesteld bij fundamentele ontwikkelingen in de ekonomie.

middenveld

Het maatschappelijk middenveld, vooral op het gebied van sociale en ekonomische belangen van degenen, die afhankelijk zijn van een uitkering of loon, is in deze visie geheel uit het zicht verdwenen. Er wordt nog maar beperkte betekenis toegekend aan belangengroepen, waarin individuen zich op basis van solidariteit met lotgenoten organiseren en waarin de mensen zelf een afweging maken van hun persoonlijke belang, dat van de groep en van de samenleving als geheel. Waarna ze vervolgens onderhandelen met andere belangengroepen en de overheid en waarbij ze het gevoel hebben, dat ze als belangengroepen invloed kunnen uitoefenen op de maatregelen van de staat zodat met hun persoonlijke afweging van verschillende belangen rekening wordt gehouden.

Het bestaan van deze organisaties en hun invloed is een noodzakelijke voorwaarde voor een stabiele demokratie. Natuurlijk zijn die belangenorganisaties er wel, varierende van grote vakbonden tot kleine organisaties van uitkeringsgerechtigden, maar hun invloed is beperkt.