Hoofdstuk 9 boek ‘Werklozen in aktie’ de geschiedenis van de

Werklozen Belangen Vereniging Amsterdam, 1974-1992 /Amsterdam 1992

1980 en 1981; de jaren van de grote veranderingen

Hiervoor werd duidelijk, dat de aktiviteiten voor werklozen bij de WBVA in de loop van 1980 waren ingestort; ook de lande-lijke samenwerking tussen de werklozen belangen verenigingen was verdwenen. Niet alleen in de geschiedenis van de WBVA maar ook in andere opzichten kunnen de jaren 1979-1981 worden beschouwd als een omslagpunt. De jaren zeventig werden geken-merkt door een gigantische omschakeling in de produktie; in deze jaren verdwenen traditionele industrietakken, zoals de scheepsbouw, de textielindustrie en de lederwarenindustrie. De produktie van deze bedrijven werd verplaatst naar het buiten-land of er werden grootscheepse rationalisaties doorgevoerd, waarbij dezelfde hoeveelheid produkten kon worden gemaakt met steeds minder mensen. In de jaren zeventig waren bedrijfsslui-tingen en reorganisaties aan de orde van de dag; in het eerste hoofdstuk heb ik trachten aan te geven, dat de vakbeweging zich bij deze bedrijfssluitingen beperkte tot het opvangen van de sociale gevolgen; wel kwam zij via offensieve eisen op voor de materi‰le positie van werkenden en werklozen, daarbij onder druk gezet voor de werklozencomit‚’s, die nog wel veel kritiek hadden op de vakbeweging, maar die toch streefden naar samen-werking; in deze periode konden uitkeringsgerechtigden als zodanig geen lid worden van een erkende bond. Aan het eind van de jaren zeventig raakte de leiding van de FNV steeds meer in het defensief. Eerst waren de eisen: niet inleveren terwille van de werkgelegenheid, omdat die er daardoor toch niet zou komen, verhoging van lonen en uitkeringen, en verlenging van de uitkeringstermijnen in WW en WWV. In 1979 kwam de omslag: ook in de leiding van de vakbeweging kwam het besef, dat matiging van de lonen en uitkeringen noodzakelijk was. Het overheidsbeleid was er in de zeventiger jaren op gericht, door steun aan verliesgevende bedrijven en "lastenverlichting" voor de bedrijven de afbouw van de oude industrietakken soepel te laten verlopen. Hoewel onder Van Agt I al werd gestreefd naar bezuinigingen, oa via Bestek ‘81, bleef onder deze regering het overheidstekort verder oplopen. In de tweede helft van de jaren zeventig begon zich een nieuwe ontwikkeling af te teke-nen; de opkomst van wat wel de dienstensector werd genoemd, zoals de horeca, schoonmaakbedrijven, boekhoudkantoren, ban-ken, etc. Daarbij werden nieuwe markten aangeboord, maar deze ontwikkeling was ook een gevolg van rationalisatie in de traditionele industrietakken; daar werd gewerkt met uitbeste-ding van taken, die vervolgens door bedrijven in de diensten-sector werden overgenomen.

Bedrijven streefden er steeds meer naar, vaste kosten om te zetten in variabele kosten. Allerlei zaken die vroeger in het bedrijf zelf werden gemaakt werden uitbesteed aan toeleve-ringsbedrijven, zoals het produceren van halffabrikaten en dienstverlenende taken zoals marketing, boekhouding, scholing van personeel, schoonmaak en onderhoud van machines. Daarnaast ging men grond, fabrieken en machines niet kopen maar huren van soms door de onderneming zelf opgerichte dochtermaatschap-pijen. Er werden bijvoorbeeld in de horeca juridische con-structies bedacht zoals franchisesystemen, waarbij een exploi-tatiemaatschappij de financi‰le risico’s van het ondernemen volledig afwentelde op juridisch zelfstandige dochteronderne-mingen. Op die manier ontstond een ekonomisch produktiesys-teem, waarbij het financierskapitaal, dat zich steeds meer concentreerde in grote ondernemingen (banken, pensioenfondsen, grote exploitatiemaatschappijen) verzekerd was van regelmatige inkomsten, terwijl de toeleverende of dienstverlenende sector steeds meer verwikkeld raakte in een moordende concurrentie-strijd om orders. Schommelingen in de vraag naar produkten of het cyclische karakter van sommige produktiesystemen, zoals in de tuinbouw, waren volledig voor rekening van de toeleverings-bedrijven. Omdat toeleveringsbedrijven slechts werkten met zeer smalle financi‰le marges konden in deze bedrijven slechts lage lonen betaald worden, terwijl er een flexibilisering optrad in de arbeidsrelaties; mensen moesten ontslagen kunnen worden als er even geen werk was.

De jaren omstreeks 1980 kunnen daarbij worden beschouwd als een omslagpunt; de afbouw nam de traditionele industrie‰n naderde zijn voltooiing, en de uitbouw van de nieuwe sectoren in de dienstensector begon. Parallel daarmee loopt een omslag in het overheidsbeleid. De steunverlening aan afzonderlijke zwakke bedrijven werd stopgezet, tot uiting komend in het RSV-debacle; daarvoor in de plaats kwam een overheidsbeleid, dat zich richtte op verdere lastenverlichting van het bedrijfsle-ven en het verder bevorderen van rationalisatie en flexibili-sering. Niet de overheid, maar de nieuwe bedrijven in de dienstensector moesten de kar worden, die de ekonomie trok.

werkloosheid

De veranderingen in de ekonomie kwamen ook tot uiting in de ontwikkeling van de werkloosheid; ook daarbij is 1980 een omslagpunt. In dat jaar begonnen de gevolgen van de afbouw van de oude industrie‰n pas goed merkbaar te worden. Jarenlang was men bezig geweest, oudere werknemers te lozen in de WAO; daarnaast kregen nieuwe groepen, zoals vrouwen en jongeren geen kans op de arbeidsmarkt. En bovendien liep de werkloos-heid in 1980 snel op.

Op 24 maart 1982 verscheen er in het Amsterdams Stadsblad een artikel: "sombere prognoses bureau ekonomisch onderzoek, Amsterdam koerst af op zo’n 50.000 werklozen".1 Het artikel werd geschreven naar aanleiding van een rapport van het Bureau Ekonomisch Onderzoek van de gemeente Amsterdam over de ontwikkeling van de werkloosheid in de hoofdstad in het tweede half jaar van 1981. In het rapport werd gekonklu-deerd, dat 1980 als een omslagpunt kon worden beschouwd in de ontwikkeling van de werkloosheid; tot die tijd liep de werk-loosheid langzaam omhoog. Vanaf 1980 was er echter sprake van een explosieve toename; waren medio 1980 bij het gewestelijk arbeidsbureau in amsterdam ongeveer 15.000 werklozen geregis-treerd, de cijfers over januari 1982 gaven een verdubbeling van dit aantal te zien, zodat er 30.000 werklozen stonden geregistreerd. En de verwachting van het rapport was, dat het dieptepunt daarmee nog niet was bereikt. Het rapport hield ernstig rekening met zo’n 50.000 werklozen in 1985 in Amster-dam. Deze voorspelling zou uitkomen. De grootste categorie werklozen viel in de oudere leeftijdsklasse, dus mensen die jarenlang bij een baas gewerkt hadden en die nu uitgerangeerd werden. Maar ook bij de jongeren tot 25 jaar was de werkloos-heid aanzienlijk. Per december 1981 waren er ruim 11.000 jongeren bij het arbeidsbureau ingeschreven. Een verslechte-ring trad eveneens op bij de buitenlandse arbeiders; zij hadden een aandeel van 25% in de totale werkloosheid. De buitenlandse arbeiders waren oververtegenwoordigd in de indus-tri‰le werkgelegenheid, en juist in die sector begon de werk-gelegenheid drastisch terug te lopen. Sectoren waar de ontsla-gen vielen waren de metaalbedrijven, bouw- en toeleverende bedrijven, transportbedrijven en maatschappelijke instellin-gen; het ging bij de meeste vestigingen om beperkte groepen, maar toch waren er ook massa-ontslagen, zoals bij van Gelder papier en de Ford-fabrieken, waar 1200 mensen werkten. In Nederland als geheel steeg de werkloosheid in december 1981 tot 470.000 personen. Overigens werden bij de registratie van de werkloosheid verschillende definities gehanteerd, andere cijfers gaven aan, dat de werkloosheid landelijk op 557.000 lag. Opvallend was, dat in Nederland als geheel de toename sterker was geconcentreerd bij mannen dan in Amsterdam. In Amsterdam maakten 10.000 vrouwen deel uit van het werklozenbe-stand. De verschillen tussen de landelijke ontwikkeling en Amsterdam hingen samen met de hogere beroepsdeelnemening van Amsterdamse vrouwen, mede door de sterkere vertegenwoordiging van bedrijfstakken in de hoofdstad met relatief veel vrouwe-lijk personeel. (bankwezen, maatschappelijke diensten). De gemeente probeerde wat aan de werkloosheid te doen; Op 10-5-1982 publiceren Freek van Leeuwen en Klaas Veldman lid van de gemeenteraadsfraktie van de PvdA het rapport "Amsterdam moet er werk van maken". Al deze pogingen hebben echter weinig geholpen.

De bovengenoemde ontwikkeling had grote gevolgen voor de uitvoeringsorganen van de sociale zekerheid; met het toenemen van het aantal werklozen en de daling van de openstaande vacatures nam de onvrede toe met de regelgeving vanuit de sociale diensten en arbeidsbureau’s rond bijvoorbeeld de sollicitatieplicht, verscherpte controle op zogenaamde ekono-mische eenheid, strafkortingen, arbeidsbemiddeling enz. Er kwamen ook steeds meer klachten over slechte behandeling bij sociale diensten: aanvragen die onzorgvuldig werden afgehan-deld, verkeerde informatie of het niet verstrekken daarvan, klachten over mensonwaardige behandeling. Naast de explosieve toename van het aantal clienten was er immers ook bij de sociale diensten sprake van een toename van de bezuinigingen; ondanks de stijging van clienten kwam er nauwelijks meer personeel. Hetzelfde gold voor het arbeidsbureau, waarbij deze instantie als specifieke ontwikkeling liet zien dat de bemid-delingsfunctie steeds meer verwerd tot een aanpassing van de werkzoekende aan de vaak irre‰ele eisen van de werkgever, en dat degenen die voor de werkgever niet zo "interessant" waren werden afgedankt maar de bak "onbemiddelbaar".

afname van de koopkracht.

Ook in de koopkrachtontwikkeling kan 1980 worden beschouwd als

een omslagpunt; het overheidsbeleid van steeds meer bezuinigen

zou in de tachtiger jaren haar uitwerking niet missen. Vanaf

1973 was er sprake van een aanzienlijke nivellering van inko-

mens. Tot ongeveer 1980 zijn de inkomens op twee maal modaal

gelijk gebleven terwijl modaal en lager aanzienlijk omhoog

gingen. De nivellering was oa een gevolg van de invoering van

vloeren in de prijscompensatie, extra verhogingen van het

wettelijk minimumloon in 1970, 1973, 1974 en 1975 en ook de

loonmaatregelen van 1976 en 1980 waren van invloed; bij deze

loonmaatregelen werd de prijscompensatie vervangen door een

verplichte toeslag in de vorm van een gelijk bedrag voor

iedereen. Na 1980 gingen alle inkomens qua koopkracht achter-

uit; zowel hogere als lagere inkomens. Omstreeks 1985 zou er

een denivellering optreden, waarbij de lagere inkomens sneller

daalden dan de hogere. De teruggang in koopkracht voor de

minima wordt in de tachtiger jaren geschat op 15%.2

De opkomst van nieuwe groepen uitkeringsgerechtigden.

Tenslotte wijs ik erop, dat ook in de geschiedenis van de uitkeringsgerechtigdenbeweging de jaren 1979-1981 kunnen worden beschouwd als een omslagpunt; De toename van het aantal mensen dat uit de produktie werd gestoten of er niet in slaag-de werk te vinden had tot gevolg, dat er grote groepen mensen geen werk hadden, georganiseerd langs de scheidslijnen van het sociale zekerheidsstelsel. Deze groepen hadden allen hun eigen problematiek en historische achtergronden. Uitkeringsgerech-tigden gingen hun specifieke problemen ook steeds meer langs de scheidslijnen van het sociale zekerheidsstelsel naar voren brengen en ze gingen zich organiseren in afzonderlijke organi-saties.

In Heerlen werd in het voorjaar van 1979 door leden van de WBV Heerlen een aktiegroep Bijstandsvrouwen opgericht.3 Ook in Groningen werd in deze periode een dergelijk komitee opge-richt. Het Amsterdamse komitee kwam officieel in augustus 1980 tot stand, maar ook hier kwamen bijstandsvrouwen al in 1979 bij elkaar. De specifieke problemen van bijstandsvrouwen werden in de aktiekrant werklozen in deze periode op een rijtje gezet; er werd gekonstateerd, dat aan de groep vrouwen, die aangewezen waren op de bijstand zelden aandacht werd besteed. En juist deze groep dreigde door de bezuinigingen van de regering extra gepakt te worden. Veel vrouwen konden door scheiding van de bijstand afhankelijk geworden, moeilijk aan huisvesting komen. Het probleem was, dat er nauwelijks betaal-bare woningen waren voor onvolledige gezinnen of alleenstaan-den, en dat woningbouwverenigingen gescheiden vrouwen met kinderen in de bijstand discrimineerden bij woning toewijzing. Bovendien werd gewezen op de ongunstige bijverdiensteregeling in de bijstand. Juist vrouwen met kleine kinderen waren vaak aangewezen op deeltijdbanen, waaruit geen volledig inkomen viel te verwerven. Een zeer groot probleem vormde ook de controle van ambtenaren van de sociale dienst op het leven van bijstandsvrouwen. In feite was daarbij sprake van een constan-te aantasting van iemands persoonlijke vrijheid; vooral vrou-wen met een vriend of een kostganger in huis werden gekonfron-teerd met de mededeling van de sociale dienst dat er sprake was van een "ekonomische eenheid" en dat de bijstandsuitkering gekort zou worden, omdat de man moest bijdragen in het inkomen van de vrouw. De bijstandsvrouwen begonnen ook te protesteren tegen het wekelijks moeten inleveren van controlebriefjes. In Friesland moest op het wekelijkse briefje worden ingevuld, op welke tijden een vaste vriend op bezoek kwam. Bijstandsvrouwen begonnen zich steeds meer te ergeren aan dit soort controles. In de werklozenbeweging was hiervoor tot nu toe nauwelijks aandacht geweest. Ook stelden de bijstandsvrouwen aan de orde, dat de betrokken groep in feite geen opleiding kon volgen. Uit de uitkering van de bijstand was een opleiding niet te finan-cieren, en voor een studiekostenvergoeding kwamen de vrouwen niet in aanmerking.

8 maart 1980, de internationale vrouwendag, stond in het teken van vrouwen en het recht op betaald werk. Op 7 maart was er een aktie bij het arbeidsbureau georganiseerd door de vrouwen-groep van de WBVA.

Op 24 april 1982 werd op een landelijke bijeenkomst het lande-lijk overleg Komitees Vrouwen in de Bijstand opgericht. Door dit overleg hielden vrouwen uit het land kontakt met elkaar en konden akties een landelijk karakter krijgen. Al op 25-5-1982 gingen de vrouwen aktie voeren. Uit de " Mies Minima aktie" naar aanleiding van de dreigende ontkoppeling met als leus "Mies Minima levert niet meer in kwam het eerste kontakt met andere vrouwenoverleggen voort. Het aantal komitees groeide flink na deze aktie.4 Op 20 Oktober 1982 was er een landelijke aktiedag van Vrouwen in de Bijstand. Er werd door meer dan 500 aanwezige vrouwen besloten duidelijke eisen te stellen, met name een looneis tegen alle bezuinigingen in. Januari 1983 werd uitgeroepen tot aktiemaand. De grote inzet van bijstandsvrouwen met ondersteu-ning van de Vrouwenvakbond in Amsterdam heeft deze maand tot een groot succes gemaakt. De eisen luidden: Bijstand fl 400,-per maand erbij, afschaffing kostwinnersbeginsel, onderwijs met behoud van uitkering, geen korting op bijverdiensten, woonlasten omlaag.5 In de aktiemaand groeide het aantal komitees uit tot 150 en kwam er meer aandacht voor de feminisering van de armoede. Vrouwen vormden 83% van de ABW-uitkeringsgerechtigden. De laagste welvaartsklassen bestonden vooral uit vrouwen met kinderen, weduwen, oudere alleenstaande vrouwen en grote gezinnen.

De akties van vrouwen in de bijstand gaven nieuwe impulsen aan de vrouwenbeweging. De diskussies over feminisering van de armoede leidden in de loop van 1983 en 1984 overal in het land tot plaatselijke komitees van het "Breed Platform Vrouwen voor Ekonomische Zelfstandigheid" die ook weer allerlei akties organiseerden. In de brochure "Van Vrouwen en de dingen die voorbijgaan" pleitte men voor een strikte individualisering van het sociale zekerheidsstelsel. Naast de stelselherziening in de sociale zekerheid moest ook de tweeverdienerswet het ontgelden.6 Er was scherpe kritiek op het kostwinnersbegin-sel. In maart 1983 werd het landelijk Steunpunt van vrouwen in de bijstand opgericht. Men had subsidie bij de overheid aange-vraagd, wat ook werd gehonoreerd.

buitenlandse arbeiders

Er waren echter ook andere groepen, die opkwamen voor hun specifieke belangen. In het voorgaande is al aan de orde gekomen, dat buitenlandse arbeiders in de zeventiger jaren aktie voerden voor verbetering van hun rechtspositie. Met name de akties van de kerk-marokkanen sprak tot de verbeelding. Verder organiseerde het Komitee Marokkaanse Arbeiders Neder-land (KMAN) op 25 maart 1979 in Amsterdam een grote manifesta-tie voor buitenlandse arbeiders, die in de WAO terecht waren gekomen. Er verscheen een zwartboek, waarin de WAO-ers hun problemen en eisen hadden uitgewerkt. De manifestatie werd bezocht door 500 mensen. Op de manifestatie werd met steun van nederlandse WAO-organisaties en politieke partijen een resolu-tie aangenomen, waarin men verbetering eiste van buitenlandse arbeiders in de WAO.

Eveneens in maart 1979 werd een Komitee Marokkaanse WAO-Slachtoffers opgericht. Er ontstonden in een vijftal plaatsen lokale komitees. In ondermeer Roosendaal, Dordrecht en Den Haag zijn dergelijke komitees enkele jaren aktief gebleven. In mei 1979 organiseerde het Marokkaanse WAO-komitee samen met een Nederlands komitee een protestwacht bij het GAK in Amster-dam. Men wilde de discriminatie en het gebrek aan aandacht voor de specifieke problemen van de Marokkaanse WAO-ers bij het GAK aan de orde stellen.

Op 19-5-1979 organiseerde het Landelijk Komitee van Marokkaan-se WAO-Slachtoffers een demonstratie in Den Haag. Er deden 5000 mensen aan mee. Dit was echter het voorlopig einde van de akties; in de zomer van 1979 ontstonden er konflikten tussen bestuurders van het KMAN en de WAO-ers. Het werk van het komitee kwam stil te liggen. Pas in het voorjaar van 1981 zouden de betrokkenen een verklaring uitbrengen, waarin werd medegedeeld, dat er weer werd samengewerkt. Het Komitee Marok-kaanse WAO-Slachtoffers in Amsterdam werd daarbij door het KMAN erkend als autonome organisatie. Het komitee bestaat nog steeds en is gevestigd in de Arie Biemondstraat.7 Op 16-4-1983 organiseerden het WAO-komitee van Marokkanen in Amsterdam en het KMAN een demonstratie in Den Haag tegen de invoering van de visumplicht en voor legalisatie van WAO-ers. Aangezien de WAO een werknemersverzekering was, konden ook buitenlandse arbeiders zonder verblijfsvergunning en werkver-gunning voor een WA-uitkering in aanmerking komen, wanneer ze tijdens hun werk verzekerd waren voor de werknemersverzekerin-gen. De positie van deze "illegale" WAO-ers was uitzichtloos. Na de demonstratie werden gesprekken gevoerd met FNV, NCB, CNV en een aantal Tweede Kamerfracties. Het heeft er uiteindelijk in 1991 toe geleid dat in 1991 een beperkte groep "illegale" WAO-ers een verblijfsvergunning kreeg.8 Ook andere groepen WAO-ers gingen steeds meer aktievoeren. We hebben hiervoor al gezien, dat de ANIB het voortouw nam in de demonstraties van arbeidsongeschikten tegen het Bestek ‘81 beleid. Er werd oa gedemonstreerd op 26-5-1979. In het najaar van ‘79 gingen WAO-komitees steeds meer landelijk samenwerken.

Op 13-9-1979 was er een verklaring door vertegenwoordigers van

WAO-komitees uit het hele land dat als grondslag moest dienen

voor een open WAO-congres op 24 april 1980 in het Dorp in

Arnhem. Het congres in Arnhem leidde tot het "Landelijk WAO-

Beraad".9

nieuwe werklozenorganisaties

Buitenlandse arbeiders, bijstandsvrouwen en WAO-ers richten dus in deze tijd hun eigen organisaties op. Jongeren voerden al vanaf het begin van de jaren zeventig aktie. Bovendien manifesteerden zich naast de Werklozen Belangen Verenigingen vele andere lokale werklozengroepen en organisaties van uitke-ringsgerechtigden. In Rotterdam was dit bijvoorbeeld de werk-lozengroep "De Stempelaar" en in Nijmegen het werklozencentrum "Unitas". In Amsterdam was de Bijstandsbond al in de zeven-tiger jaren actief. In de eerste helft van de zeventiger jaren werd door de VARA het televisieprogramma "De Ombudsman" uitge-zonden. Het programma werd gepresenteerd door Johan van Min-nen. In dit programma werden klachten behandeld over het functioneren van sociale diensten, bedrijfsverenigingen en andere uitvoerende instanties. Men kwam op het idee deze klachten te bundelen en een belangenvereniging op te richten om akties tegen de bovengenoemde instanties te ondernemen. Dit leidde tot de oprichting van de Landelijke Vereniging Bij-standsbond, op 26 mei 1976 in Hilversum.10 Na de oprichting van de landelijke vereniging werden er ook plaatselijke afde-lingen opgezet, oa in Amsterdam en Alkmaar. De Amsterdamse afdeling beschikte in eerste instantie niet over een eigen ruimte; het secretariaat was bij een van de bestuursleden thuis. Op 23 oktober 1978 was er een vergadering, om te komen tot een zelfstandige Amsterdamse vereniging. Vervolgens werd subsidie aangevraagd bij de gemeente Amsterdam. Die subsidie kwam er en dit leidde tot een eigen ruimte in het Bolshuis op de Rozengracht, waar de Amsterdamse vereniging sinds mei 1980 was gevestigd. Anke van der Vliet en Johan Stuyvenberg vormden in die tijd de spil van de Amsterdamse Bijstandsbond. De organisatie bestaat nog steeds; in 1989 verhuisde de belangen-organisatie naar de Leidse gracht.11 De landelijke Bijstandsbond, die eind zeventiger jaren zo’n 1300 leden telde, is aan het begin van de jaren tachtig ter ziele gegaan door interne konflikten.

een nieuwe landelijke vereniging.

Er zouden in 1980 ook nieuwe initiatieven worden opgestart voor een nieuw landelijk samenwerkingsverband van vooral werklozen.12 Al op 11 oktober 1979 werd op het Binnenhof gedemonstreerd tegen de gevolgen van Bestek ‘81 voor de werk-lozenprojecten. De demonstratie was georganiseerd door de "coordinatiegroep bezuinigingen van de verschillende werklo-zenprojecten". De demonstratie ging vanuit het centrum "De Houtzagerij" naar het Binnenhof.13 In 1979 waren er volgens de aktiekrant werklozen zo’n 10.000 werklozen betrokken bij het sociaal-kulturele werk voor werklozen; die werklozen namen deel aan allerlei aktiviteiten, zoals taal cursussen en recre-atieve aktiviteiten. Deze sociaal-kulturele aktiviteiten vonden over het algemeen plaats in afzonderlijke "Projecten Mensen Zonder Werk". Dit gebeurde, omdat de bestaande sociaal-kulturele voorzieningen door een beperkt budget onvoldoende in staat waren in te spelen op de behoeften van de groeiende groep werklozen. De projecten hadden als functie, de negatieve gevolgen van het werkloos zijn zoveel mogelijk in te perken. Je kon bij de projecten kontakt leggen met andere uitkerings-gerechtigden en tegelijkertijd was er een belangrijk stuk vrije tijdsbesteding. Na de demonstratie in Den Haag waren er nieuwe initiatieven om de bezuinigingen op de projecten tegen te gaan. Martien Jan Gerritsen van het project "Mensen Zonder Werk" in Hengelo kwam samen met anderen van het project tot de conclusie, dat door de bezuinigingsmaatregelen van de regering de positie van de werklozen steeds verder werd aangetast, en dat verdere bezuinigingen op de projecten dreigden. Men vond in Hengelo, dat de werklozen niet langer konden zwijgen en dat er nieuwe politieke aktiviteiten opgezet moesten worden om de belangen van werklozen te verdedigen. Men nam vanuit Hengelo daarom het initiatief tot het beleggen van enkele landelijke vergaderingen, waar vertegenwoordigers van verschillende projecten hun ervaringen uitwisselden. Ook vertegenwoordigers van Werklozen Belangen Verenigingen waren bij de gesprekken aanwezig. Men konstateerde, dat de projecten "Mensen Zonder Werk" ook steeds meer aandacht gingen besteden aan de belan-genbehartiging, en dat dit niet meer alleen de taak was van de WBV’s. Verder besprak men de moeilijkheden, die de projecten tegenkwamen bij het opzetten van belangenbehartigingsaktivi-teiten. Het bleek, dat met name in gemeenten, waar "rechtse regenten" in het college van B en W zaten, strikte subsidie-voorwaarden werden gehanteerd, waarbij projecten met opheffing werden bedreigd, wanneer ze te "politiek" werden. De landelij-ke vergaderingen hebben uiteindelijk in 1980 geleid tot de landelijke Vereniging Projecten Mensen Zonder Werk. Ook in Amsterdam kreeg de WBVA met de projecten te maken. In Amsterdam werden in 1977 op 14 plaatsen in de stad projecten "Mensen Zonder Werk" opgezet. De gezamenlijke Projecten Mensen Zonder Werk hebben aan het eind van de jaren zeventig/begin jaren tachtig een stedelijk overleg gehad; het secretariaat van het Projectenoverleg was gevsetigd bij de WBVA op de Geldersekade. Er waren oa regelmatig besprekingen met de directie van de sociale dienst.14 De projecten werden gefinancierd door de afdeling Sociale Zaken. Er kwam echter geen structurele subsidie; per jaar werd bekeken of de projecten nog subsidie konden krijgen. Dit leidde ertoe, dat er tussen 1977 en 1980 zeven projecten weer werden opgeheven. In 1980 nam het Bureau Jeugdzaken de subsi-diering van de projecten over. En dit betekende, dat per 1 januari 1981 dezelfde regels zouden gaan gelden als voor andere sociaal-kulturele aktiviteiten: 40% subsidie op aktivi-teiten kosten.15 De projecten zouden 60% van de kosten zelf moeten gaan betalen, en dit betekende, dat ze de kosten zouden moeten verhalen op de werklozen. Bij de verschillende projec-ten stelde men vast, dat dit de nekslag zou betekenen. Er werd intensief overlegd en gelobbyed bij de gemeente, maar dit had vooralsnog geen resultaat. Vervolgens werd er op 22 april 1980 een aktiebijeenkomst belegd bij de WBVA; dit leidde tot een bezetting door vertegenwoordigers en deelnemers van de Projec-ten van de raadscommissie van Sociale Zaken. Op deze wijze werd de verantwoordelijke wethouder ertoe gebracht uit te spreken, dat het voortbestaan van de Projecten was gegaran-deerd.16 In de loop van de tachtiger jaren zouden de meeste Projecten echter toch verdwijnen.

De Vakbonden

Ook binnen de FNV begon er steeds meer aandacht te komen voor

de belangen van uitkeringsgerechtigden. Sinds 1 januari 1981

bestond er een secretariaat voor arbeidsongeschikte, gepensio-

neerde en werkloze leden. Dit werd het Secretariaat Uitkerings

Gerechtigden (SUG) genoemd. Het secretariaat ging nieuwsbrie-

ven uitgeven en adviezen verstrekken aan de Federatieraad en

het Federatiebestuur van de FNV. Verder werkte men aan het

opzetten van scholing voor uitkeringsgerechtigden. In de

beginperiode werd het secretariaat in haar werkzaamheden

bijgestaan door een aantal adviescommissies. Zo was er een

landelijke adviescommissie voor arbeidsongeschikte leden en

een voor oudere leden. Deze adviescommissie’s bestonden naast

vertegenwoordigers uit de FNV-districten ook uit vertegenwoor-

digers van de bonden. en landelijke adviescommissie voor

werkloze leden was er echter nog niet, aangezien deze groep

leden zich binnen het FNV nog niet zo georganiseerd had, dat

afvaardiging naar een landelijke adviescommissie mogelijk zou

zijn.17