Hoofdstuk 18 boek ‘Werklozen in aktie’ de geschiedenis van de

Werklozen Belangen Vereniging Amsterdam, 1974-1992 /Amsterdam 1992

Conclusies. De organisatie van werklozen tussen 1974 en 1992.

In de afgelopen periode heeft de overheid gestreefd naar algehele loonmatiging. Dit komt tot uiting in de loonmaatrege-len die de diverse kabinetten hebben genomen. Verder was er bevriezing van de uitkeringen, en zelfs een korting in 1983. Daarnaast kan het beleid worden ingedeeld in twee fasen. In de eerste fase, die afliep met de parlementaire enquete over het Rijn Schelde/ Verolme concern, was er een vergroting of hand-having van het financieringstekort en bij Den Uyl zelfs pogin-gen tot een gerichte stimulering van de investeringen. Verder was er in de zeventiger jaren zowel bij het kabinet Den Uyl als bij het kabinet van Agt I een gerichte steunverlening aan individuele bedrijven. Dit laatste betekende een grootscheepse overheveling van kapitaal naar het bedrijfsleven. In deze periode trokken ondernemers hun kapitaal terug uit verliesge-vende bedrijfstakken. Juist die steunverlening van de overheid maakte dit mogelijk. In de tweede fase streefde de overheid naar steunverlening aan bedrijven die winstgevend waren en technologisch vernieuwend. De individuele steunverlening van verliesgevende bedrijven werd stopgezet Daarnaast streefde men naar een algehele lastenverlichting voor de bedrijven en een in ere herstellen van het marktmechanisme. Het overheidstekort werd teruggedrongen, evenals de collectieve lastendruk. Bezui-nigingen op bepaalde overheidsuitgaven waren in deze periode het sleutelwoord. De gehele periode overziende kan worden gesteld, dat de overheid heeft gestreefd naar een beleid, waarbij het terugtrekken van kapitaal uit bepaald bedrijfstak-ken en de herinvestering in andere sociaal acceptabel werd gemaakt door de scherpste kantjes van de sociale gevolgen wat af te slijpen. Dit heeft echter wel geleid tot een grote armoede in de maatschappij. Honderdduizenden arbeidskrachten werden afgedankt en in de bijstand of de WAO geschoven. Voor hen was er geen perspectief meer in de moderne dienstverle-ningsmaatschappij, die sinds het begin van de jaren tachtig was ontstaan.

Kapitaal moest de afgelopen twintig jaar in beide perioden beschikbaar komen voor de grote ondernemingen om hun beleid te kunnen uitvoeren. Het overschot op de arbeidsmarkt heeft een neerwaartse invloed gehad op de lonen in het algemeen. Het overschot aan arbeidskrachten was in Nederland relatief groot omdat de daling van de vraag naar arbeid samenviel met een versnelling van de groei van het arbeidsaanbod als gevolg van de "Babyboom" en de toegenomen arbeidsparticipatie van vrou-wen. De arbeidersgroepen, die in de traditionele industri‰le sector een goed stelsel van arbeidsvoorwaarden hadden opge-bouwd, werden afgedankt en in de dienstensector vervangen door goedkopere jongeren en vrouwen met (flexibele) deeltijdkon-trakten. Verschillende onderzoekers, zoals Elfring en Kloos-terman, bevestigen deze ontwikkeling. "Deze specifieke kombi-natie van enerzijds een herstrukturering van de Nederlandse ekonomie en anderzijds de komst van een grote groep nieuwko-mers heeft een snelle vervanging van hoger-door lagerbetaalden mogelijk gemaakt. Jongeren en vrouwen waren in het algemeen goedkopere arbeidskrachten".1 Met andere woorden: Hiermee kon de onmogelijkheid van een algehele loonsverlaging worden omzeild. Overigens deel ik verschillende opvattingen van Kloosterman en Elfring niet. Zij zijn optimistisch over de werkgelegenheid die de post-industri‰le samenleving tot stand zou brengen. Ik vind dat niet. Het meest schokkende is, dat het arbeidsvolume van de bedrijven in 1970 3.400.000 mensjaren bedroeg, en dat dit in 1988 nog steeds zo was. Met andere woorden: in de afgelopen twintig jaar is de werkgelegenheid niet toegenomen. Daar staat tegenover, dat het aantal werkzoe-kenden oa door de groei van de bevolking sterk is gestegen. Met andere woorden; volledige werkgelegenheid door ekonomische groei en daling van de lonen is een illusie, tenzij de be-roepsbevolking kleiner wordt.

werklozengroepen

In de inleiding heb ik enkele vragen gesteld over de opvattin-gen en de strategie van de werklozengroepen. In dit laatste hoofdstuk wil ik die vragen nog eens langs lopen en trachten te beantwoorden. De eerste vraag was: in welk theoretisch kader plaatsten de aktivisten van de WBVA de werkloosheid, en welke veranderingen zijn er in hun zienswijze opgetreden?. De werklozengroepen die de afgelopen twintig jaar aktief waren, hebben vanuit verschillende ideologie‰n kritiek geleverd op het overheidsbeleid. Centraal stond daarbij de kritiek op de uitgangspunten van het ekonomisch model, dat door den Hartog en Tsjan in 1974 was ontwikkeld: de voortdurende loonmatiging zou niet leiden tot meer werkgelegenheid, er waren geen garan-ties dat het ook maar iets zou opleveren voor de vele werklo-zen.

De aktiecomit‚’s van werklozen gingen in eerste instantie uit van de marxistische onderbestedingsteorie: om de werkloosheid te bestrijden zou zowel een verhoging van de lonen als de uitkeringen noodzakelijk zijn; verlaging ervan zou leiden tot vermindering van de consumptie en onderbesteding, zodat de werkloosheid zou toenemen en de ekonomie terecht zou komen in een spiraal naar beneden. De opvatting overheerste, dat volle-dige werkgelegenheid nog bereikbaar was. Een aantal van 200.000 werklozen vonden de wbv’s en werklozen actiecomit‚’s al schandelijk, zij konden zich niet voorstellen, dat de werkloosheid nog veel desastreuzer vormen zou aannemen. Pro-testen tegen de toenemende armoede in de maatschappij en akties voor verhoging van de uitkeringen bleven ook in de jaren tachtig bestaan. Naarmate de werkloosheid structureler en massaler werd, raakten de werklozengroepen echter steeds meer overtuigd van de onmogelijkheid, ooit nog weer volledige werkgelegenheid te bereiken; er kwam kritiek op het arbeids-ethos, waarbij betaalde arbeid als het alleen zalig makende werd beschouwd. Ook vrijwilligerswerk kon zinvol zijn. Mede onder invloed van de vrouwenbeweging en de comit‚’s Vrouwen in de Bijstand werd meer de nadruk gelegd op de herverdeling van betaalde en onbetaalde arbeid en een opwaardering van het vrijwilligerswerk. En bovendien, waarom zou je strijden voor het openhouden van fabrieken, die milieuvervuilende produkten maakten terwijl de arbeidsvoorwaarden in die fabrieken zeer slecht waren? Dat leidde tot kritiek op het produktiestelsel, waarbij werklozen zeiden: we gaan zelf wel zinvol werk zoeken en op basis van eigen uitgangspunten samenwerken met anderen. De werklozengroepen in de zeventiger jaren voerden aktie tegen de uitholling van het begrip passende arbeid en het opleggen van strafkortingen. Dit gebeurde vanuit het idee, dat het werklozenleger een loondrukkende werking had, en dat het in het belang van werklozen en werkenden was, te voorkomen dat werklozen gedwongen zouden worden werk beneden de geldende arbeidsvoorwaarden aan te nemen. De sollicitatieplicht als zodanig werd niet ter diskussie gesteld. Pas in de tachtiger jaren kwam in de uitkeringsgerechtigdenbeweging de diskussie over een drastische hervorming van het sociale zekerheidsstel-sel, waarbij werd nagedacht over de invoering van een basisin-komen. Ook vanuit de WBVA werd de sollicitatieplicht ter diskussie gesteld. Er werd echter niet expliciet gekozen voor een basisinkomen.

organisatievormen

De tweede vraag die ik in de inleiding stelde heeft betrekking op de organisatievorm die men koos om de grote groep van werklozen en andere uitkeringsgerechtigden te bereiken. In eerste instantie werd gekozen voor de vorm van het actieco-mit‚, dat geen op schrift gestelde formele besluitvormingspro-cedures kende en waarbij snel kon worden gereageerd op poli-tieke ontwikkelingen via gerichte, kort durende acties. De actiecomit‚’s waren bedoeld om zowel de overheid als de vak-bonden onder druk te zetten middels piket-lines, manifestaties en demonstraties. De aktivisten van de comit‚’s probeerden daarbij de solidariteit tussen werkenden en werklozen te organiseren en als intermediair op te treden tussen georgani-seerden en ongeorganiseerden. De laatste groep wilden de comitees ook lid maken van een vakbond. De comit‚’s waren echter niet bedoeld als een duurzame organisatie naast de vakbonden; veel aktivisten van de comit‚’s waren lid van beide. Er werd gestreefd naar een coalitie met werkenden omdat werklozen en werkenden uiteindelijk dezelfde belangen zouden hebben. Er werden vooral offensieve eisen gesteld voor een verbetering van de materi‰le positie van werklozen, zoals de akties voor een duurtetoeslag lieten zien. Daarnaast werd aktie gevoerd om de werklozen uit de bijstand te houden. In 1977 werden overal Werklozen Belangen Verenigingen opge-richt. Vanaf 1977 komt een ontwikkeling op gang, waarbij de werklozengroepen steeds losser kwamen te staan ten opzichte van de vakbeweging. De verenigingsvorm had de bedoeling, duurzamer organisatievormen buiten de vakbeweging tot stand te brengen, zodat middels geformaliseerde, demokratische besluit-vormingsprocedures en grote ledenbestanden ook op de langere termijn vanuit een onafhankelijke positie aktie gevoerd kon worden voor de belangen van uitkeringsgerechtigden. De banden met de vakbeweging werden echter niet geheel verbroken; nog steeds bleven de verenigingen streven naar een grote coalitie tussen werkenden en uitkeringsgerechtigden. De eisen werden echter defensiever: van "geen werklozen naar de bijstand" naar: "handen af van de sociale verworvenheden". De WBVA had in de beginperiode ongeveer 1500 leden. Landelijk waren zo’n 6000 uitkeringsgerechtigden bij een WBV aangesloten. Het in stand houden of zelfs uitbreiden van een dergelijke onafhanke-lijke beweging is echter mislukt. Naarmate de bezuinigingen op de overheidsuitgaven en de uitkeringen voortgingen, werden steeds meer mensen uit het arbeidsproces gestoten. Deze mensen waren verdeeld over verschillende sociale verzekeringswetten en de groepen hadden een verschillende historische achtergrond en specifieke belangen, die steeds meer naar voren kwamen en hebben geleid tot een veelheid aan organisaties. De landelijke WBV stortte geheel ineen en ook bij de WBVA was er een terug-gang in aktiviteiten. Er ontstonden meningsverschillen met bijvoorbeeld het werkgelegenheidscomit‚ dat nog steeds streef-de naar het openhouden van bedrijven, die ten dode waren opgeschreven. Aan het begin van de jaren tachtig ontstonden naast landelijke organisaties van WAO-ers, vrouwen in de bijstand en werklozen, actief in de Projecten Mensen Zonder Werk een veelheid van lokale organisaties, die geen deel uitmaakten van een structureel landelijk overleg. Ook de WBVA werd een meer lokale organisatie die slechts incidentele kontakten onderhield met landelijke organisaties. In die zin was er sprake van een lokale organisatie, maar er kam m.i. niet worden gesteld, dat ook de eisen een meer lokaal karakter droegen dan in de zeventiger jaren. In beide decennia werd enerzijds gestreden tegen misstanden bij het arbeidsbureau en de sociale dienst, terwijl ook werd geprotesteerd tegen lande-lijke ontwikkelingen. Alleen in de zeventiger jaren gebeurde dat in min of meer duurzame landelijke samenwerkingsverbanden terwijl er in de tachtiger jaren slechts sprake was van kort-stondige samenwerking op landelijk niveau. Er trad zoals reeds gezegd wel een verandering in eisen op, in de zin, dat meer de nadruk werd gelegd op afschaffing van de sollicitatieplicht en een drastische herverdeling van betaald en onbetaald werk, en een kritiek op het arbeidsethos. De WBVA beschouwde zichzelf daarbij niet meer als een soort voorhoedeorganisatie in ver-enigingsvorm, die probeerde zoveel mogelijk leden te werven en aktie te voeren voor de belangen van de werklozen in het alge-meen. Men ging de weg op, waarbij de WBVA werd gezien als een voorziening met faciliteiten en betaalde krachten, en waarbij de organisatie zich zou kunnen inzetten voor specifieke groe-pen uitkeringsgerechtigden, die aktie wilden voeren voor hun specifieke belangen. Daarbij benaderde men de werklozen niet meer als een groep als geheel, maar schonk men aandacht aan specifieke groepen, met name vrouwen en jongeren, en -via het Uitkeringsfront ook de belangen van mensen op het absolute minimum. Men bleef zoeken naar mogelijkheden, om al die ver-schillende groepen met elkaar te verenigen, zowel in WBVA verband als middels "Platforms" en "Fronten". Eventuele coali-ties met werkenden in de erkende vakbonden verdwenen geheel uit het zicht. Er werd meer kontakt gezocht met andere min of meer autonome sociale bewegingen, zoals vrouwenorganisaties, krakers, anti-militarisme groepen. Deze coalities leidden tot kortstondige oplevingen van akties van uitkeringsgerechtigden. De akties werden daarbij radikaler, niet alleen maar manifes-taties en demonstraties, maar ook betaalstaken, bezettingen, en boycotacties. Pogingen, om zelfstandig een duurzame samen-werking tot stand te brengen tussen de verschillende groepen uitkeringsgerechtigden zijn zowel op Amsterdams als landelijk niveau mislukt.

In de tachtiger jaren was er ook op Amsterdams niveau echter sprake van verschillende organisatievormen. Toen de subsidie werd stopgezet poogde de WBVA zich weer te ontwikkelen tot een belangenvereniging voor uitkeringsgerechtigden; de ledenwer-ving werd weer ter hand genomen, en er werden weer meer alge-mene politieke eisen gesteld. Wel bleef men zich richten op de specifieke positie van vrouwen, jongeren en langdurig werklo-zen in de bijstand, die allen op het minimum zaten. In de praktijk heeft de WBVA in haar advieswerk vooral te maken met mensen in de bijstand en dus met de sociale dienst. Er komen vrij weinig vragen binnen van WW-ers en dus mensen die met bedrijfsverenigingen te maken hebben.

Ondanks spraakmakende akties, is de WBVA er in de tweede helft van de tachtiger jaren niet in geslaagd een wat grotere aan-hang te verwerven, zoals de WBVA die in haar beginperiode had. Toen in 1986 duidelijk werd, dat de gemeente twijfelde over verdere subsidiering van de vereniging, was men niet in staat een effectieve strategie op te zetten en aanhang te mobilise-ren om te voorkomen, dat men zou worden wegbezuinigd. Ener-zijds wilde men radikale akties tegen de heersende trend in het overheidsbeleid, anderzijds wilde men de WBVA zien als een gesubsidieerde voorziening, waar uitkeringsgerechtigden te-recht konden om aktie te gaan voeren. In het kader van de bezuinigingen bij de overheid en de door haar geformuleerde prioriteiten was voor zo’n vereniging geen plaats meer, en het lukte niet, werklozen te mobiliseren tegen het wegbezuinigen van (sociaal culturele) voorzieningen voor deze groep. Ook de Projecten Mensen Zonder Werk werden grotendeels wegbezuinigd. Naast de WBVA waren er echter in de tachtiger jaren ook pogin-gen tot andere organisatievormen. Het Krisis Komitee Oost zag zichzelf als een komitee van buurtbewoners, waarbij niet alleen uitkeringsgerechtigden waren aangesloten. Alle mensen op een minimum-dus ook een groot gedeelte van de werkenden en bijvoorbeeld bejaarden- moesten vanuit een basisorganisatie op buurtniveau samen strijden om de bezuinigingen tegen te hou-den. Een veelheid van eisen kon daarbij naar voren worden gebracht: op het gebied van de sociale zekerheid en de sociale dienst, de gezondheidszorg, de bezuinigingen op buurtinstel-lingen, de legitimatieplicht, de hoge huren en gasprijzen. Het KKO probeerde op die manier een bijdrage te leveren "aan het verzet tegen onderdrukking, racisme, seksisme en milieu-vernietiging vanuit een onafhankelijke en demokratische basis-beweging". Het KKO wees voorhoedeteori‰n daarbij van de hand. De verschillende belangenorganisaties op buurtniveau moesten samen, ondanks misschien verschillende uitgangspunten, werken aan bewustwording van buurtbewoners en het opbouwen van een eigen alternatief. Het KKO heeft zoals we zagen in 1986 gepro-beerd de Prinsjesdag-aktiedag beweging weer van de grond te krijgen, waarbij in verschillende steden en buurten aktie werd gevoerd door samenwerkingsverbanden van belangenorganisaties.

Het belang van coalities

Uitkeringsgerechtigden hebben de afgelopen twintig jaar geen krachtige, massale sociale beweging in gang kunnen zetten. Voorzover uitkeringsgerechtigdengroepen akties voerden waarbij meer dan enkele tientallen tot enkele honderden mensen aanwe-zig waren, gebeurde dit steeds in het kielzog van en gebruik makend van de kracht van andere sociale bewegingen. In de zeventiger jaren was er een coalitie met vakbonden en de CPN, die de werklozencomit‚’s en later de WBV’s enige invloed gaf. Daarna waren het de samenwerking met de vrouwenbeweging en de kraakbeweging die van belang waren. In de tweede helft van de tachtiger jaren vond vooral een diskussie plaats over de toenemende armoede in de maatschappij, omdat de kerken zich daarvoor gingen inzetten.

Tenslotte wil ik nog iets zeggen over de resultaten van de vele akties die zijn gevoerd. Wanneer het gaat om het over-heidsbeleid lijken die resultaten gering; de achtereenvolgende regeringen gingen gestaag voort op de weg van de afbraak van de sociale zekerheid. Bovendien lijken de resultaten van de verschillende akties moeilijk te meten. Het is slechts zelden zo, dat uitkeringsgerechtigden aktie voerden voor een bepaalde eis, en dat deze dan ook enige tijd daarna geheel of gedeelte-lijk werd ingewilligd. Alleen in de eerste helft van de zeven-tiger jaren lijkt die relatie enigzins te bestaan. Toch hebben de verschillende groepen naar mijn mening wel invloed uitgeoe-fend op de overheid en de uitvoerende instanties. Het vele advieswerk dat men heeft gedaan, akties zoals bezettingen, piket-lines e.d hadden wel hun effekt op het beleid van de gemeenten, de uitvoerende instanties en de opvattingen van ambtenaren. Een uitgebreider onderzoek dan ik heb gedaan zou echter noodzakelijk zijn om deze invloed nauwkeuriger vast te stellen. Een apart vraagstuk daarbij is de invloed van kriti-sche uitkeringsgerechtigden binnen en buiten de erkende vak-bonden op het beleid van die organisaties.