AH 2939
2009Z09693

Antwoord van staatssecretaris Klijnsma (Sociale Zaken en Werkgelegenheid), mede namens de staatssecretaris van Justitie (ontvangen 15 juni 2009). Zie ook persbericht Bijstandsbond

1 Wat is uw reactie op de uitspraak van de rechtbank Amsterdam die buurtonderzoek bij het vaststellen van bijstandsfraude verbiedt in verband met privacywetgeving en het Europees Verdrag van de Rechten van de Mens? 1)

2 Deelt u de mening dat deze uitspraak bijzonder zorgwekkend is omdat
buurtonderzoek juist een belangrijk instrument is tegen bijstandsfraude?
Zo nee, waarom niet?

3 Deelt u voorts de mening dat fraudeurs keihard moeten worden
aangepakt en niet, zoals nu gebeurt, in bescherming worden genomen?
Zo nee, waarom niet?

4 Bent u bereid genoemde uitspraak aan te vechten en om zo nodig
wetgeving te veranderen zodat buurtonderzoek bij vaststelling van
bijstandsfraude mogelijk blijft?
Zo nee, waarom niet?

1) de Volkskrant, 25 mei 2009

 

Antwoord vragen 1 t/m 4:

Het artikel bevat een weergave door een betrokken partij van een mondelinge uitspraak van een politierechter. De uitspraak is (nog) niet schriftelijk beschikbaar. Schriftelijke uitwerking vindt plaats nadat hoger beroep is ingesteld. Het OM heeft aangegeven inderdaad hoger beroep in te stellen. Op de uitspraak kan ik derhalve nog niet ingaan en wetswijziging is thans niet aan de orde.
Ik ben van oordeel dat fraude moet worden bestreden. Buurtonderzoek kan daarbij een nuttig instrument zijn, naast bijvoorbeeld het afleggen van huisbezoeken. Met mijn wetsvoorstel “huisbezoeken” (TK 2008–2009, 31 929, nr. 2) wordt het beter dan nu het geval is mogelijk dat uitvoeringsorganen de leefsituatie “achter de voordeur” vaststellen.
“Buurtonderzoek” betreft als zodanig overigens geen juridisch begrip. Met buurtonderzoek wordt bedoeld het bij derden inwinnen van informatie over een bepaalde persoon. Bij fraudezaken is het hierbij het meest gebruikelijk dat een buurtonderzoek in de vorm van een getuigenverhoor wordt uitgevoerd. Deze bevoegdheid kan worden gebaseerd op de algemene in artikel 2 Politiewet en/of artikel 141/142 Wetboek van strafvordering genoemde taken.
Slechts in uitzonderlijke situaties, en alleen bij de opsporing van zeer ernstige misdrijven, bestaat tevens de mogelijkheid van “stelselmatige” informatie-inwinning over een verdachte op grond van artikel 126j Wetboek van strafvordering. Door middel van deze opsporingsbevoegdheid wordt stelselmatig, op bevel van de Officier van Justitie, heimelijk informatie ingewonnen over een verdachte. Voor de inwinning van informatie waarbij het heimelijke en stelselmatige karakter ontbreekt, zoals doorgaans bij fraude-onderzoeken, is echter geen aparte bevoegdheid vereist.
Daarnaast hebben controleurs die zijn belast met het toezicht op naleving van de Wet Werk en Bijstand (WWB) de mogelijkheid om informatie in te winnen op basis van artikel 53a WWB, waarin de bevoegdheid van het college van B&W is geregeld om onderzoek in te stellen naar de juistheid van gegevens. Zij beschikken tevens over de toezichthoudende bevoegdheden die zijn opgenomen in de Algemene wet bestuursrecht, zoals de bevoegdheid inlichtingen te vorderen.