Header image
header image 2
 

Vereniging Bijstandsbond Amsterdam

 
|| INDEX ||Da Costakade 162. 1053 XD Amsterdam. 020-6898806. info@bijstandsbond.org
 
Aan welke eisen dienen re-integratietrajecten te voldoen? Wat zijn de gevolgen als men niet meewerkt aan de re-integratietrajecten?

 

De gedachte achter de Wet Werk en Bijstand, afgekort WWB, is om zoveel mogelijk mensen weer aan het werk te krijgen. Het is een sociaal vangnet, bedoeld om mensen tijdelijk in hun bestaan te voorzien. Het vinden van werk blijft het uitgangspunt.
Dat velen in de bijstand niet kunnen werken wegens arbeidsongeschiktheid of langdurig op bijstand zijn aangewezen door de massawerkloosheid wordt aan voorbij gegaan. Het uitgangspunt van de bestuurders (werk) wordt gebruikt als motivatie om de verplichtingen van de uitkeringsgerechtigde aan te scherpen.
Daarnaast hebben burgemeesters, wethouders en gemeenteraden verplichtingen wat betreft re-integratietrajecten en arbeidsinschakeling. Centraal in de WWB staat de persoonlijke benadering van de uitkeringsgerechtigde. Om deze weer aan het werk te krijgen, moet de re-integratie en de arbeidsinschakeling ‘op maat’ worden uitgevoerd. Dat zijn mooie woorden, maar die woorden houden wel in dat aan die re-integratietrajecten bepaalde kwaliteitseisen zijn verbonden.

Echter, wat zijn re-integratietrajecten eigenlijk? Wie stelt de regels omtrent re-integratietrajecten vast?

Re-integratietrajecten zijn cursussen, trainingen, werk-leerbanen om mensen aan het werk te krijgen. Voor een antwoord op de tweede vraag kijken we naar art 8 lid 1 sub a WWB. Dit artikel geeft de gemeente de bevoegdheid tot het maken van regels wat betreft re-integratietrajecten. Er staat:

De gemeenteraad stelt bij verordening regels met betrekking tot:
    •       het ondersteunen bij arbeidsinschakeling en het aanbieden van voorzieningen gericht op arbeidsinschakeling, bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a.

Wat betekent dat? De gemeenteraad controleert de wethouders en burgemeester in een gemeente. Zo is de indeling, zeer kort door de bocht gezegd. In artikel 8 lid 1 sub a staat dat deze gemeenteraad ook ter controle van burgemeesters en wethouders plaatselijke regels (verordeningen) omtrent de re-integratietrajecten moet vaststellen.
Vroeger werden regels wat betreft re-integratietrajecten landelijk geregeld. Tegenwoordig ligt die plicht bij de gemeenteraad, omdat de bestuurders denken dat er dan een veel betere afstemming is op wat uitkeringsgerechtigden echt nodig hebben om weer aan het werk te komen. Verder is in theorie de controle op de uitvoering van de WWB door de burgemeesters en wethouders  veel groter als de gemeenteraad ook zelf de regels maakt voor re-integratietrajecten. Bovendien is de gemeente volledig financieel verantwoordelijk voor de uitvoering van de re-integratietrajecten. Daarom zou het verstandig zijn dat de gemeenteraad de regels vaststelt.

Nu weten we hoe de regels voor re-integratietrajecten worden vastgesteld. Wat staat er over uitkeringsgerechtigden?
Uitkeringsgerechtigden hebben namelijk rechten en plichten. De verplichtingen van uitkeringsgerechtigden die te maken hebben met de re-integratietrajecten staan in art 9 lid 1. De wettekst volgt hieronder. Alleen lid 1 van artikel 9 WWB wordt vermeld. Dit wetsartikel heeft direct te maken met het onderwerp van dit artikel: aan welke criteria dienen re-integratietrajecten te voldoen?

Art 9 Plicht tot arbeidsinschakeling.
1
De belanghebbende van 18 jaar of ouder doch jonger dan 65 jaar is, vanaf de dag van melding als bedoeld in artikel 44, tweede lid, verplicht:
    •       naar vermogen algemeen geaccepteerde arbeid, waarbij geen gebruik wordt gemaakt van een voorziening als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a, te verkrijgen en deze te aanvaarden, waaronder begrepen registratie als werkzoekende bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, indien hem daartoe het recht toekomt op grond van artikel 30b, eerste lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen;
b. gebruik te maken van een door het college aangeboden voorziening, waaronder begrepen sociale activering, gericht op arbeidsinschakeling, alsmede mee te werken aan een onderzoek naar zijn mogelijkheden tot arbeidsinschakeling.

Kort gezegd staat in  het eerste deel, lid 1 sub a, gewoon dat de uitkeringsgerechtigde zich moet laten registeren bij het UWV, het vroegere arbeidsbureau. Verder staat er dat de uitkeringsgerechtigde wel moet proberen om een baan te krijgen. Ook is er in gerechtelijke uitspraken bepaald dat een uitkeringsgerechtigde buiten het eigen vakgebied moet zoeken en dat de uitkeringsgerechtigde een baan moet aanvaarden op een (veel) lager opleidingsniveau. Het begrip ‘passende arbeid’ is afgeschaft.
De problemen ontstaan echter bij het tweede onderdeel van de wettekst. In onderdeel b van de wettekst staat eigenlijk dat de uitkeringsgerechtigde moet meewerken aan re-integratietrajecten. Deze trajecten worden in de wettekst ‘voorzieningen’ genoemd. Voorzieningen zijn overigens ook sociale activeringstrajecten. Sociale activeringstrajecten moeten proberen structuur in het leven van werklozen aan te brengen. Die projecten leren de uitkeringsgerechtigden hoe ze moeten om gaan met de chef enz. Als een uitkeringsgerechtigde moet meewerken aan zo'n traject, moeten daar echter wel kwaliteitseisen tegenover staan, omdat de uitkeringsgerechtigde moet meewerken aan zo'n re-integratietraject.
Feitelijk zou er vermeld moeten worden dat het re-integratietraject ook een recht is. De uitkeringsgerechtigde heeft ook recht op ondersteuning bij het vinden naar werk. Dit is de theorie. In de praktijk komt van de uitgangspunten waarop de wet gebaseerd is soms niet veel terecht. En is de controle van de gemeenteraad op uitvoering van de wet minimaal. Uitkeringsgerechigden die zich op het standpunt stellen dat de gemeente hen op effectieve wijze moet ondersteunen bij het vinden van betaald werk vinden vaak geen gehoor en de aangeboden trajecten worden niet als maatwerk op de persoon afgestemd. Over de gevolgen van het niet meewerken wordt nog verder gesproken in dit artikel.
In de praktijk bezuinigen gemeenten op trajecten en zijn ze vaak niet zinvol, maar een vorm van bezighouden.

Het doel en de kwaliteitseisen van re-integratietrajecten en sociale activeringsprojecten (voorzieningen) zijn, zoals gezegd, belangrijk. Een sociaal activeringsproject heeft geen zin als er absoluut geen perspectief bestaat op een reguliere baan. Bijvoorbeeld als de uitkeringsgerechtigde door ziekte, leeftijd en/of gebrekkige taalbeheersing niet meer in staat zal zijn om een reguliere baan te krijgen.
In een bepaald geval hoefde een uitkeringsgerechtigde een bewegingstherapie niet te volgen, omdat dit sociaal activeringsproject geen nut had voor de te zieke en te oude uitkeringsgerechtigde. Er was namelijk absoluut geen kans op een baan voor deze persoon. Dus hoefde er geen structuur meer in zijn leven gebracht te worden. Immers, dat is het doel van een sociaal activeringstraject in aanloop tot een re-integratietraject.

Kortom: het doel van re-integratietrajecten en sociale activeringstrajecten moet altijd de vergroting van een kans op een normale baan zijn. De regering heeft gezegd dat re-integratietrajecten niet-nuttige, maatschappelijke activiteiten zijn die moeten worden uitgevoerd, maar waar geen geld voor is. Dus zomaar schoffelen in een park omdat hoveniers te veel kosten, is beslist niet de bedoeling. De programma's dienen de kans op een normale baan te vergroten. Als er een re-integratietraject is, moet er wel worden gekeken naar het opleidingsniveau en achtergrond van de uitkeringsgerechtigde. Het zomaar sturen van een uitkeringsgerechtigde naar een bedrijf om inpakwerkzaamheden te doen, is rechtens niet juist. De rechter vond de weigering om de werkzaamheden te doen dan ook terecht; hij gaf de uitkeringsgerechtigde dan ook gelijk in haar weigering

Toen een uitkeringsgerechtigde in het kader van een re-integratieproject moest schoffelen ofwel dozen met lijm moest inpakken, kwam de rechter ook tot dezelfde conclusie: er had nader onderzoek moeten plaatsvinden naar de achtergrond en opleidingsniveau van de uitkeringsgerechtigde. Verder vond de uitkeringsgerechtigde dat deelname aan het re-integratietraject een vorm van dwangarbeid was. De uitkeringsgerechtigde voerde aan dat de verplichte deelname aan dit re-integratietraject in strijd was met de internationale verdragen, die dwangarbeid verbieden. De rechter vond dat niet. De rechter vond de dreiging van verlaging van de bijstandsuitkering bij de weigering van deelname aan het re-integratietraject niet zodanig van aard was dat die dreiging in strijd zou zijn met de verdragen die arbeid onder psychische of lichamelijke dwang verbieden. Er was volgens de rechter geen dwang om de arbeid te blijven verrichten, want bij het aannemen van een betaalde baan heb je die verplichten en het gezeur niet. Bij weigering aan de deelname van het re-integratietraject dreigde er wel een maatregel die de uitkeringsgerechtigde onder het bestaansminimum zou brengen. Dat vond de rechter op zich een verboden straf op basis van de verdragen. De uitkeringsgerechtigde is dan ook niet geheel vrijwillig een overeenkomst tot deelname aan het re-integratieproject aangegaan. Simpeler gezegd: als de gemeente zegt dat je  moet deelnemen aan een re-integratietraject, omdat je anders veertig procent minder van de uitkering ontvangt, ga je echt niet vrijwillig meedoen aan zo'n re-integratietraject. Je moet wel, want anders heb je geen geld om van te leven. Toch kwam de rechter tot de conclusie dat dit re-integratietraject niet een vorm van dwangarbeid was, omdat het niet geheel uitgesloten was dat de uitkeringsgerechtigde toch nog wat kon leren van het re-integratietraject, waardoor de kansen op een betaalde baan worden vergroot. Als zou blijken dat er echt niets geleerd zou worden van het re-integratietraject, zou de uitkeringsgerechtigde aan een ander traject kunnen deelnemen. De rechter vond dat het doel van het traject er wel op gericht was om mensen weer aan een betaalde baan te helpen. Daarom was er geen sprake van dwangarbeid. Simpel gezegd: het was niet een simpel schoffelproject zonder uitzicht op het aanleren van vaardigheden, die kunnen zorgen dat je een betaalde baan krijgt.
 
De uitkeringsinstanties kunnen een uitkeringsgerechtigde niet zomaar naar een re-integratietraject of een sociaal activeringsproject sturen. De uitkeringsgerechtigde moet wel wijzer worden van trajecten en projecten. Er moet gekeken worden naar het karakter, het opleidingsniveau en naar de gezondheidstoestand van de uitkeringsgerechtigde. Er moet gekeken worden in hoeverre een zieke uitkeringsgerechtigde kan doorstromen naar een normale baan. Kortom: er moet maatwerk worden geleverd.

Je kunt wel stellen dat trajecten aan bepaalde eisen moeten voldoen, maar probeer maar eens je recht te halen. Als je uitkering wordt stopgezet, of je krijgt een sanctie, dan zit je een tijd zonder geld en kun je pas op termijn via de rechter gelijk krijgen. Veel uitkeringsgerechtigden maken om die reden vaak geen bezwaar tegen de hen opgelegde, soms onterechte trajecten. Daarom wordt nu artikel 18 WWB behandeld. Dit wetsartikel heeft veel te maken met artikel 8 en 9 WWB. Alleen de eerste twee leden van  artikel 18 WWB zijn van belang in dit betoog.

Artikel 18 afstemming
1

Het college stemt de bijstand en de daaraan verbonden verplichtingen af op de omstandigheden, mogelijkheden en middelen van de belanghebbende.
2
Indien de belanghebbende naar het oordeel van het college tekortschietend besef van verantwoordelijkheid betoont voor de voorziening in het bestaan dan wel de uit deze wet dan wel artikel 30c, tweede en derde lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen voortvloeiende verplichtingen niet of onvoldoende nakomt, waaronder begrepen het zich jegens het college zeer ernstig misdragen, verlaagt het college overeenkomstig de verordening, bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel b, de bijstand. Van een verlaging wordt afgezien, indien elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt.

Weer volgt de vraag: wat staat er in dit wetsartikel? Een uitleg van het eerste lid volgt.

De gemeenteraad stelt de regels vast omtrent de rechten en verplichtingen van re-integratietrajecten. Aan de hand van die regels kijken burgemeesters en wethouders wat er voor re-integratietrajecten of sociale activeringsprojecten mogelijk zijn voor de uitkeringsgerechtigde. De voorzieningen (sociale activeringsprojecten en re-integratietrajecten) moeten worden afgestemd op de uitkeringsgerechtigde. Kortom: wat voor mogelijkheden zijn er voor de uitkeringsgerechtigde? In wat voor omstandigheden leeft de uitkeringsgerechtigde? En wat voor middelen heeft de uitkeringsgerechtigde zelf? Heeft hij of zij bijvoorbeeld nog de beschikking over een auto?

In het tweede lid van dit artikel staan de gevolgen van het niet nakomen van de verplichtingen door de uitkeringsgerechtigde. Burgemeesters en wethouders moeten aan de hand van de plaatselijke regels vaststellen hoeveel de verlaging van de uitkering is, indien de uitkeringsgerechtigde zich niet houdt aan de verplichtingen. Dit wordt van geval tot geval beoordeeld door de burgemeesters en wethouders.
De regering heeft namelijk gezegd dat een uitkeringsgerechtigde rechten, maar ook verplichtingen heeft. Als de uitkeringsgerechtigde niet wil meedoen aan re-integratietrajecten of sociale activeringsprojecten, komt hij zijn verplichtingen niet na. Of als de uitkeringsgerechtigde zich ernstig misdraagt tegen de medewerkers van de uitkeringsinstanties. De gedragingen zijn dan gedragingen, die in de maatschappij als agressief of onbehoorlijk worden beschouwd. Verder kan het zijn dat de uitkeringsgerechtigde door eigen schuld zijn baan heeft verloren. Of dat hij door eigen schuld geen recht heeft op een andere uitkering. Dit zijn allemaal redenen waarom een uitkeringsgerechtigde kan worden gekort op de bijstandsuitkering.
De regering heeft gezegd dat kortingen bij het niet nakomen van deze verplichtingen geen strafrechtelijke sanctie is. De korting zou niet bedoeld zijn als straf. De korting is volgens de bestuurders bedoeld als prikkeling om mee te werken aan de aangeboden hulp, want het is niet de bedoeling dat de uitkeringsgerechtigde voor altijd een bijstandsuitkering blijft ontvangen. Hulp in de vorm van een bijstandsuitkering is bedoeld als een tijdelijk iets. Hiervoor werd al opgemerkt dat dit in de praktijk anders is.

We blijven echter bij de weigering om mee te werken aan de voorzieningen genoemd in artikel 9 WWB. Indien een uitkeringsgerechtigde weigert mee te werken aan een re-integratietraject of een sociaal activeringsproject, kan er tot honderd procent worden gekort op de bijstandsuitkering. Er zijn verschillende categorieën van kortingen. Hoe ernstiger de weigering om mee te werken aan re-integratietrajecten of sociale activeringstrajecten, hoe meer de uitkering wordt ingehouden. Dit kan uiteindelijk oplopen tot honderd procent.
De korting op de bijstandsuitkering wordt per individueel geval beoordeeld. Het is niet de bedoeling dat er zomaar wordt gekort op een uitkering. De rechter heeft bepaald dat de korting wel in verhouding dient te staan met de ernst van de weigering om mee te werken aan een re-integratietraject of sociale voorziening. Het doel van een bestaansminimum en de prikkeling om daadwerkelijk een betaalde baan te krijgen, moet goed tegen elkaar worden afgewogen.
Soms vindt de rechter dat die afweging niet goed heeft plaatsgevonden en zegt hij dat het bestaansminimum van de uitkeringsgerechtigde in gevaar is gebracht. Dan wordt de korting verlaagd. Kortom: dan krijgt de uitkeringsgerechtigde weer wat meer van zijn uitkering. Als er in de plaatselijke regelgeving niet goed rekening wordt gehouden met het bestaansminimum van de uitkeringsgerechtigde, kan de rechter de plaatselijke regelgeving omtrent kortingen op bijstandsuitkeringen buiten toepassing verklaren. Hij kan dan zeggen dat de gemeenteraad op basis van artikel 8 WWB nieuwe regels moet maken.
De rechter kan ook zeggen dat de gemeenteraad nieuwe regels moet maken als de uitkeringsgerechtigde als sanctie voor onbepaalde tijd op zijn bijstandsuitkering wordt gekort. Die regels brengen teveel onzekerheid voor de uitkeringsgerechtigde met zich mee. 

Soms doen uitkeringsgerechtigden een beroep op mensenrechtenverdragen. Uitkeringsgerechtigden zeggen dan dat de kortingen op de bijstandsuitkeringen bedoeld zijn om hen te straffen en dat die straf in strijd is met de mensenrechtenverdragen. De rechter zegt altijd dat de kortingen niet bedoeld zijn om te straffen; zij zijn bedoeld om de uitkeringsgerechtigden tot een betaalde baan aan te zetten. De rechter verwijst dan naar wat de regering over de WWB heeft gezegd. Ook wordt er betoogd door uitkeringsgerechtigden dat de kortingen in strijd zijn met verdragen, die zeggen dat de uitkeringsgerechtigden recht hebben op de garantie van een bestaansminimum. In bepaalde gevallen kan zo'n beroep slagen, maar dat hangt af van de duur en de hoogte van de korting.  Als de uitkeringsgerechtigde echt geen eten meer kan betalen; als hij zijn huis uit wordt gezet; als hij echt geen geld kan lenen bij vrienden en kennissen, dan kan het beroep op de mensenrechtenverdragen slagen.

Samenvatting
De plaatselijke regels, die kortingen bevatten als men niet meewerkt aan re-integratie of sociale activeringstrajecten, dienen er volgens de rechter niet voor om de uitkeringsgerechtigde te straffen. Zij dienen ervoor om de uitkeringsgerechtigde mee te laten werken om hem of haar uit de bijstand te helpen. De kortingen mogen er niet toe leiden dat de uitkeringsgerechtigde onder het absolute bestaansminimum komt. Indien de plaatselijke regels daar geen rekening mee houden, kunnen ze door de rechter aan de kant worden geschoven. 

Mr. C.O.V. van Randwijck
Medewerker Bijstandsbond

05/04/2013

 

 
 

.