vv
vv
 
 
 
Da Costakade 162. 1053 XD Amsterdam. 020-6898806. info@bijstandsbond.org
 

Toename van pulpbanen en flexibele arbeid
in Europa

 

Op 28 en 29 juni 2008 werd in Leverkusen (Duitsland) een Europese coordinatievergadering gehouden van de Euromarsen. Op deze vergadering hield Frank Slegers uit Belgie een verhaal over enkele economische ontwikkelingen in Europa. Hieronder een door mij gemaakt verslag van deze inleiding, aangevuld met opmerkingen mijnerzijds. De tekst komt dus geheel voor mijn verantwoording.

Piet van der Lende

Frank presenteerde op de bijeenkomst onderstaand staatje. (Bron: Key challenges facing European labour markets: a joint analyses of European social partners. 18 october 2007. De volledige versie van het rapport, samengesteld door werkgeversorganisaties en vakbonden, is oa te vinden op www.etuc.org)

Alles in procenten

EU van de 16

EU van de 16

EU van de 26

 

1986-1995

1996-2006

1996-2006

Groei BBP in reele termen

2,4

2,3

2,4

Bijdrage van:

 

 

 

1. Arbeidsproductiviteit

1,9

1,1

1,5

Waarvan:

 

 

 

Productiviteit per uur

2,2

1,5

1,6

Uren gewerkt per persoon

-0,4

-0,4

0,0

 

 

 

 

2. Tewerkstellingsgraad

0,1

0,8

0,5

Waarvan:

 

 

 

werkloosheid

-0,2

0,2

0,2

activiteitsgraad

0,3

0,6

0,3

 

 

 

 

3. Bevolking op actieve leeftijd

0,4

0,4

0,4

We kunnen constateren, dat wanneer we twee decennia met elkaar vergelijken, de groei van het BBP (Bruto Binnenlands Product) hetzelfde gebleven is. Het BBP kan stijgen door langer werken van mensen, dat meer mensen werken en door een hogere arbeidsproductiviteit. Er is wat dit betreft een groot verschil tussen de periode 1986-1995 en de periode 1996-2006. In de eerste periode was het voornamelijk de stijging van de arbeidsproductiviteit, die bijdroeg aan de economische groei. De groei van het BBP van 2,4 % valt voor 1,9 % te verklaren uit de stijging van de arbeidsproductiviteit. In de periode van de tien jaar daarna is het aandeel van de stijging van de arbeidsproductiviteit echter gedaald tot 1,1 % in het EU van de 16 en 1,5 % in de EU van de 26. De tewerkstellingsgraad echter, het aantal mensen dat te werk wordt gesteld, is in de tweede periode voor een veel groter deel verantwoordelijk voor de economische groei. En wel vooral door de toename van de precaire arbeid, de laagbetaalde arbeid. Je zou dus kunnen zeggen dat in één opzicht het Amerikaanse model werd ingevoerd: een grote stijging van het aantal pulpbanen waarvoor in de dienstensector geen scholing vereist is en een toename van tijdelijke, onzekere baantjes. In Amerika echter gaat dit gepaard met een betrekkelijke lage werkloosheid. In Europa niet. In de tweede periode is het aandeel van de tewerkstellingsgraad in de economische groei gestegen, omdat er meer mensen werken in zo’n pulp-baan. Daarvoor zijn er twee mogelijkheden: er zijn meer werklozen aan het werk gegaan of er zijn nieuwe groepen tot de arbeidsmarkt toegetreden, bijvoorbeeld herintredende huisvrouwen. In die situaties is er vaak een echtgenoot die al een goedbetaalde) baan heeft. Het blijkt dat in Europa vooral de tweede mogelijkheid is ontstaan, dus ontstaat een situatie van precaire pulpbanen die worden verricht door nieuwe groepen op de arbeidsmarkt terwijl de werkloosheid onveranderlijk hoog blijft.

Gevolgen

De gevolgen zijn overal zichtbaar. Tien jaar geleden waren er in de 27 landen 22 miljoen mensen die werkten met tijdelijke contracten, nu zijn dat er 32 miljoen. Het aantal mensen dat in deeltijd werkt ging van 32 miljoen naar 40 miljoen. In het Europa van de 27 hebben nu 31 miljoen mensen een baan met wat men lage lonen noemt. Dat is 15% van de beroepsbevolking. In Europa werken 17 miljoen mensen die een inkomen uit arbeid hebben en die arm zijn. Het verschil tussen de twee bovenstaande cijfers ontstaat, omdat het aantal lage lonen niets zegt over het aantal armen: iemand kan een laagbetaald baantje hebben, maar nog een andere inkomstenbron, bijvoorbeeld een werkende partner.

De vakbonden beginnen langzaam wakker te worden over deze ontwikkelingen. Het Europees Verbond van Vakverenigingen (EVV) heeft in maart 2008 een rapport gepubliceerd getiteld ‘Quality of jobs at risk’ waarin de situatie in de verschillende Europese landen uit de doeken wordt gedaan en een algemene schets wordt gegeven van de ontwikkelingen. In de statistiek hierboven is de algemene Europese ontwikkeling aangegeven. Opvallend is, dat deze statistiek en de trend die daaruit spreekt van land tot land verschilt. Er zijn landen waar een soort shockterapie lijkt te zijn toegepast en er zijn landen waar de ontwikkeling sluipender lijkt te zijn (oa Belgie).

Er zijn twee landen waar de shockterapie met name sterk lijkt te zijn toegepast: Duitsland en Italie. In Duitsland is het aandeel lage lonen als percentage van de beroepsbevolking 22%. Dat is hetzelfde als in Engeland en Amerika. Het EU gemiddelde is dus 15%. Je zou kunnen zeggen dat de crisis waarin de sociaal-democratie in Duitsland verkeerd een gevolg is van de shockterapie, die onder Schroder werd doorgevoerd. Een toenemend aantal mensen zien dat ze in toenemende mate op laagbetaalde, onzekere banen zijn aangewezen, dat er steeds meer gaten in het sociale vangnet zitten en dat ze geen perspectief hebben om zich middels betaalde arbeid te ontplooien. Anderen vrezen in de nabije toekomst ook op die pulpbanen te zijn aangewezen. Empirisch onderzoek wijst uit, dat ongeveer twee derde van de mensen die precaire, onzekere arbeid verrichten voor altijd in deze sector blijft hangen. Daarom hebben de burgers geen vertrouwen meer in de sociaal-democratie. De sociaal-democratie is in crisis. In Duitsland uit zich dit oa in een daar oplaaiende discussie over het verdwijnen van wat men de ‘middenklasse’ noemt, de beter betaalde werknemers, die hun bestaan steeds meer bedreigd zien en die zich daarom afwenden van de sociaal-democratie.

Het tweede land waar een shockterapie werd toegepast is Italie. Onder Berlusconi is een grote groep mensen ontstaan, die werken op basis van een bijzondere status: mensen die werken voor een baas maar niet de rechten hebben van een gewone werknemer. Zij hebben een precair statuut. Dat aantal werknemers met deze bijzondere status is onder Berlusconi gestegen van 1 miljoen naar 3 miljoen. Het aantal ‘zelfstandigen’ en schijnzelfstandigen in een onzekere positie is gestegen tot 27% van de beroepsbevolking.

Zo zien we in verschillende landen verslechteringen van arbeidsvoorwaarden voor grote groepen, terwijl de sociale zekerheid, voorzover die bestond, verder wordt afgebroken, mensen er met behulp van dwangmaatregelen toe moeten worden gebracht om de pulparbeid te verrichten en er steeds meer ‘working poor’ komen bij een blijvend hoge massawerkloosheid. Je zou kunnen spreken van een crisis van de arbeid: betaald werk moest oorspronkelijk bijdragen aan je ontplooiing , verbonden met als zinvol ervaren arbeid, die bijdraagt aan de voortbrenging van goederen en diensten en aan de rijkdom van de gemeenschap. De pulparbeid die onder precaire voorwaarden wordt gecreeerd voldoet niet meer aan die eisen. Hierboven hebben we al gememoreerd, dat de burgers zich massaal afwenden van de sociaal-democratie als drager van de verdediging van bestaanszekerheid. Mensen ervaren in hun dagelijks leven dat die optie een farce is geworden of voor hen dreigt te worden. De crisis van de arbeid heeft ook alles te maken met de crisis in de Europese Unie. Uit opiniepeilingen en voorzover de bevolking daadwerkelijk werd geraadpleegd (in Frankrijk, Nederland en Ierland) blijkt, dat vooral de armere bevolkingsgroepen in de grote steden tegen de EU grondwet en het verdrag van Lissabon zijn. Voor zijn de hoger opgeleiden en kansrijken. De EU staat symbool voor de onzekerheid die voortvloeit uit de internationalisering van de economien en de verscherpte concurrentie tussen arbeidskrachten uit verschillende landen. De Lissabon strategie is er een van flexiblisering, lees: creatie van onzekerheid op de arbeidsmarkt. Populistisch rechts probeert op verschillende wijzen van de soms onbestemde gevoelens van onbehagen, onveiligheid en onbehagen te profiteren.

koopkracht

De laatste tijd zien we in verschillende landen weer het thema van de koopkracht in de discussies en mobilisaties naar boven komen. Deze uiteenzettingen hebben alles te maken met de bovengeschetste verarming en de flexibilisering van de arbeid.

De vakbonden zien hun invloed teruglopen en zijn niet alleen bezorgd over de ontwikkelingen maar neigen er ook meer toe er iets aan te gaan doen. Uitspraken van het Europees Gerechtshof zetten de nationale CAO-onderhandelingen over de arbeidsvoorwaarden onder druk. De arresten ondergraven dit systeem. Bovendien komen er steeds meer Europese richtlijnen zoals de arbeidstijd richtlijn en de richtlijn over uitzendbureau’s

De kwestie van de arbeid en arbeidsverhoudingen, de crisis van de arbeid bij een hoog blijvende massa-werkloosheid is waar de crisis van de Europese Unie om draait.

Waarom is de stijging van de arbeidsproductiviteit steeds minder belangrijk voor de economische groei?. Ondernemers hebben steeds minder prikkels om te investeren in machines (mechanisering en automatisering) en rationaliseringen van productieprocessen. Ze kunnen goedkoper goedkope arbeidskrachten tewerk stellen in plaats van te investeren in dure machines en research and development. Er wordt nu een ‘dienstboden maatschappij’ gecreerd met mini-jobs waar ondernemers vroeger automatiseerden en rationaliseerden. Deze ontwikkeling plaatst een tijdbom onder de Europese economien: onze concurrentiekracht en welvaart berust voor een groot deel op de technologische superioriteit van onze productie. Maar deze voorsprong op andere economische machtsblokken in de wereld is aan het teruglopen en zal op den duur leiden tot een economische neergang. Hoezo Europese kennis-economie?

De nieuwe werknemer

Gezien het bovenstaande ontstaat in de verschillende Europese landen de situatie, dat er een grote groep is die geen uitkering heft, maar ook geen vaste baan en die gedwongen is de precaire arbeid te verrichten die ontstaat. De mensen uit deze groep hebben afwisselend een baantje en dan weer niet, maar ze zien zichzelf niet specifiek als mensen die werkloos zijn. In Frankrijk en andere landen wilde men op de uitgaven voor sociale zekerheid en werkloosheidsuitkeringen bezuinigen door de toegangsvoorwaarden te verscherpen en de uitkeringen te verlagen. Hierdoor ontstond de situatie dat in Frankrijk er 4 miljoen werklozen zijn, maar slechts 2 miljoen van hen heeft een werkloosheidsuitkering. In Nederland hebben 2,5 miljoen mensen tussen 18 en 65 jaar geen betaald werk (dat zijn niet steeds dezelfden) maar slechts 1,5 miljoen van hen heeft een uitkering. Dit alles heeft tot gevolg dat jongeren zich niet organiseren in werklozenorganisaties en in de vakbonden. Voor hen zijn de werklozenorganisaties en hun strijd iets van de ouderen, die soms al lang een uitkering hebben. Maar ze organiseren zich ook niet als werknemer. De vakbonden en de werklozenorganisaties recruteren te weinig nieuw kader onder de jeugd. Dit roept de vraag op hoe de strijd voor verbetering van arbeidsvoorwaarden en sociale zekerheid vandaag de dag georganiseerd moet worden. Welke vorm moet die strijd aannemen? In Frankrijk is deze discussie opgestart door SUD en Solidaires.

 

EditRegion 2

edit region 3

 

 
 

.